200204655/1.
Datum uitspraak: 19 februari 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant sub 1] en [appellante sub 2], wonend beiden te [woonplaats]
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen van 18 juli 2002 in het geding tussen:
het college van burgemeester en wethouders van Lochem.
Bij besluit van 20 maart 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lochem (hierna: het college) aan [appellant sub 1] een last onder dwangsom opgelegd, om de permanente bewoning van het recreatieverblijf, plaatselijk bekend als [locatie], te beëindigen en beëindigd te houden.
Bij besluit van 14 augustus 2001 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 18 juli 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 26 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 september 2002. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 1 november 2002 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2003, waar het college, vertegenwoordigd door B.G. van der Zwaag, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Appellanten zijn, met bericht, niet ter zitting verschenen.
2.1. De voorzieningenrechter is op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat appellanten geen bewijs hebben aangedragen voor hun stelling dat het bezwaarschrift op 1 mei 2001 en niet eerst op 2 mei 2001 in de brievenbus van het gemeentehuis is gedeponeerd, zodat het college het bezwaarschrift van appellanten, nu dat niet tijdig is ingediend, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2.2. Aan de stelling van [appellant sub 1] dat hij op 1 mei 2001 om ongeveer 15.45 uur heeft getracht het bezwaarschrift op het gemeentehuis af te geven, alvorens het aldaar in de brievenbus te deponeren, doch dat de deur op dat tijdstip gesloten bleek, kan niet de betekenis worden toegekend die hij daaraan wil geven, aangezien het college dienaangaande heeft verklaard dat na sluiting van de deur om 12.30 uur bezoek voor het afgeven van stukken zich middels gebruik van de deurbel bij de medewerker van de receptie kan melden.
2.3. Ook in hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd kan geen aanknopingspunt worden gevonden voor een ander oordeel dan dat van de voorzieningenrechter.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.
w.g. Claessens w.g. Boot
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2003