ECLI:NL:RVS:2003:AF4367
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.M. Boll
- M. Oosting
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vergunning windturbinepark wegens ontbreken verplichte MER-beoordeling
Het college van burgemeester en wethouders van Noordoostpolder verleende op 25 april 2000 een vergunning aan Essent Energie BV voor het oprichten en in werking hebben van een windturbinepark met 17 turbines.
Appellanten stelden dat de vergunning onrechtmatig was omdat er geen geldig ruimtelijk plan bestond dat als eerste voorzag in de activiteit en waarvoor een milieu-effectrapport (MER) was opgesteld. Ook werd betoogd dat het bestaande MER niet representatief was voor de vergunde situatie en dat een afzonderlijk MER had moeten worden opgesteld.
De Raad van State oordeelde dat de streekplanuitwerking niet als eerste ruimtelijk plan kon worden aangemerkt en dat het college de vergunningaanvraag buiten behandeling had moeten laten omdat een MER-beoordelingsprocedure verplicht was. Door toch inhoudelijk op de aanvraag te beslissen, handelde het college in strijd met artikel 7.28, tweede lid, van de Wet milieubeheer.
De beroepen werden gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellanten sub 2 en het griffierecht aan beide appellanten.
Uitkomst: Het besluit tot vergunningverlening voor het windturbinepark wordt vernietigd wegens het ontbreken van een verplichte MER-beoordeling.