ECLI:NL:RVS:2003:AF3965
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- J.H. Roelfsema
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering vergunning bedrijfswoning wegens onvoldoende aannemelijkheid agrarisch bedrijf
Appellant heeft voor zijn dochter een vergunning gevraagd voor de bouw van een bedrijfswoning op een perceel met bestemming agrarische doeleinden. Burgemeester en wethouders weigerden deze vergunning, omdat zij oordeelden dat onvoldoende aannemelijk was dat er sprake was van een agrarisch bedrijf met bedrijfsmatige activiteiten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State overweegt dat het bestemmingsplan het bouwen van een bedrijfswoning toestaat indien sprake is van een agrarisch bedrijf of een aanzet daartoe. De beoordeling moet gebaseerd zijn op het geheel van feiten en omstandigheden, waaronder de aard van de activiteiten, grondoppervlakte, intentie en tijdsbesteding. De Afdeling stelt vast dat burgemeester en wethouders zich niet redelijkerwijs konden baseren op het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen, omdat dit onvoldoende rekening hield met de toekomstige ontwikkeling van het bedrijf en de opstartfase.
De Raad van State concludeert dat het besluit tot weigering van de vergunning in strijd is met het bestuursrecht en vernietigt het besluit. Burgemeester en wethouders worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden zij veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de vergunning wordt vernietigd.