AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering bouwvergunning voor caravanstalling wegens strijd met Woningwet
Appellant had een bouwaanvraag ingediend voor de uitbreiding van een agrarische bedrijfsbebouwing ten behoeve van een caravanstalling. Burgemeester en wethouders weigerden de bouwvergunning omdat het plan alleen vergund kon worden na het verlenen van een vrijstelling op grond van artikel 19 vanPro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), welke niet aan de wettelijke vereisten voldeed.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat burgemeester en wethouders niet bevoegd waren de vrijstelling te verlenen en dat zij ook niet verplicht waren een voorbereidingsbesluit te nemen, aangezien dit alleen de gemeenteraad toekomt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat de situatie van appellant niet vergelijkbaar was met de aangehaalde casus.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de weigering van de bouwvergunning terecht was wegens strijd met artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de bouwvergunning wegens strijd met de Woningwet en ongeldige vrijstelling onder de WRO.
Uitspraak
200202749/1.
Datum uitspraak: 5 februari 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 3 april 2002 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Eersel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 8 januari 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eersel (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd aan appellant bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een caravanstalling op het perceel [locatie] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 10 mei 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het ongedateerde advies van de Commissie van Advies voor de Bezwaarschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 3 april 2002, verzonden op 11 april 2002, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 21 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 22 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 20 augustus 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. R.G.A. Wouters, advocaat te Boekel, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door P.M.H.M. Bakermans, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellant heeft een bouwaanvraag ingediend voor de uitbreiding van de bestaande (agrarische) bedrijfsbebouwing ten behoeve van een door hem op het perceel geëxploiteerde caravanstalling.
2.2. Niet in geschil is dat het bouwplan slechts vergund kan worden na het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 vanPro de Wet op de Ruimtelijke Ordening zoals dit gold tot 3 april 2000 (hierna: WRO). De rechtbank heeft terecht overwogen dat burgemeester en wethouders niet bevoegd waren tot het verlenen van die vrijstelling, nu aan de wettelijke vereisten voor toepassing van deze procedure niet was voldaan. Voorzover appellant betoogt dat burgemeester en wethouders gehouden waren een voorbereidingsbesluit te nemen, wijst de Afdeling erop dat ingevolge artikel 21 vanPro de WRO uitsluitend de gemeenteraad bevoegd is tot het nemen van een voorbereidingsbesluit en dat op burgemeester en wethouders niet de plicht rust de gemeenteraad te verzoeken een zodanig besluit te nemen. Hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de wenselijkheid van de vrijstelling, de planologische aanvaardbaarheid van het bouwplan en zijn persoonlijke omstandigheden maakt dit niet anders.
Appellant heeft overigens zelf reeds bij de gemeenteraad een verzoek om medewerking aan het bouwplan ingediend. De gemeenteraad heeft op 8 juli 1999 overeenkomstig een voorstel van burgemeester en wethouders hierop afwijzend beslist.
2.3. Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel, voorzover dit al niet te laat is gedaan, kan niet slagen, nu de door appellant genoemde uitbreiding van de supermarkt niet op één lijn te stellen is met de veel omvangrijkere uitbreiding van de caravanstalling.
2.4. Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat burgemeester en wethouders gehouden waren de bouwvergunning wegens strijd met artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet te weigeren.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.