ECLI:NL:RVS:2002:AF6071
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- M. Vlasblom
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens ontbreken nieuwe feiten
De staatssecretaris van Justitie wees op 5 april 2002 een herhaalde aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel af. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb de vreemdeling verplicht is nieuwe feiten of veranderde omstandigheden te melden bij een herhaalde aanvraag. De toetsing van het besluit moet zich beperken tot de vraag of dergelijke nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die een heroverweging rechtvaardigen. De Afdeling stelde vast dat de vreemdeling onvoldoende nieuwe feiten had aangevoerd en dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt kon stellen dat de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken over de situatie in Somalië nog steeds actueel en juist waren.
De Afdeling benadrukte dat de staatssecretaris een ruime beoordelingsmarge heeft bij het toepassen van categoriale bescherming, en dat de aangevoerde aanvullende stukken geen concrete aanknopingspunten boden om aan de juistheid van de ambtsberichten te twijfelen. Daarom kon de staatssecretaris het besluit tot afwijzing van de aanvraag handhaven. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning gehandhaafd.