ECLI:NL:RVS:2002:AF2494
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A.E. van der Does
- J.H.B. van der Meer
- R.R. Winter
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing vergoeding aangepast vervoer voor schoolgaande kinderen
Verzoeker vroeg burgemeester en wethouders van Putten om vergoeding van kosten voor aangepast vervoer van zijn twee dochters voor het schooljaar 2001-2002. Dit verzoek werd op 26 juli 2001 afgewezen en in plaats daarvan werd een vergoeding voor vervoer per auto toegekend. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 15 november 2001 ongegrond werd verklaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen verklaarde het beroep van verzoeker tegen dit besluit op 20 maart 2002 gegrond en vernietigde het besluit op bezwaar, maar wees het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Burgemeester en wethouders gingen tegen deze uitspraak in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de voorzieningenrechter artikel 26 van Pro de Verordening leerlingenvervoer gemeente Putten te ruim had uitgelegd. De Raad stelde vast dat het vragen van advies aan de commissie van onderzoek alleen geldt bij vervoer van leerlingen van het speciaal (voorgezet) onderwijs, wat hier niet aan de orde was. De Afdeling bevestigde dat appellanten een zekere beleidsvrijheid hebben bij het beoordelen van bijzondere gevallen voor afwijking van de verordening.
De Raad concludeerde dat appellanten terecht hadden aangenomen dat het tot de verantwoordelijkheid van de ouders behoort om voor begeleiding te zorgen en dat de door verzoeker aangevoerde gezinsomstandigheden niet zodanig bijzonder waren dat afwijking van de verordening noodzakelijk was. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd en het beroep van verzoeker tegen het besluit van 15 november 2001 alsnog ongegrond verklaard.
Daarnaast oordeelde de Raad dat het besluit van 16 juli 2002, waarin appellanten opnieuw het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaarden, onrechtmatig was omdat zij niet opnieuw op hetzelfde bezwaar mochten beslissen. Dit besluit werd eveneens vernietigd. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van verzoeker tegen het besluit van 15 november 2001 wordt ongegrond verklaard en het besluit van 16 juli 2002 wordt vernietigd.