ECLI:NL:RVS:2002:AF2111
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- J.H. Roelfsema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhavingsbesluit verplaatsing woonwagen wegens bodemverontreiniging
Appellant werd door burgemeester en wethouders van Helmond verplicht zijn woonwagen te verplaatsen van een illegale standplaats naar een goedgekeurde locatie. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het bouwen naast de toegestane standplaats in strijd is met artikel 40 van Pro de Woningwet, waardoor handhaving gerechtvaardigd is. Een bijzonder geval om af te zien van handhaving kan alleen worden aangenomen als er concreet zicht is op legalisatie, wat hier ontbreekt vanwege bodemverontreiniging met asbest.
Ondanks betwisting door appellant, is het bodemrapport van Tauw van september 2001 doorslaggevend en geeft de bodemkwaliteitsverklaring van juli 2000 onvoldoende zekerheid. Een later ingediend asbestrapport wordt buiten beschouwing gelaten wegens procesorde. Ook andere aangevoerde omstandigheden, zoals conflicten met andere families, vormen geen reden om af te zien van handhaving.
Het beroep faalt ook in het betoog dat de last onuitvoerbaar zou zijn wegens het Bouwbesluit; de normering van brandwerendheid wordt correct toegepast. De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestuursdwangbesluit tot verplaatsing van de woonwagen wordt bevestigd.