ECLI:NL:RVS:2002:AF2106

Raad van State

Datum uitspraak
18 december 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200202641/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 WvgArt. 2 WvgArt. 2a Wvg
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bevoegdheid gemeenteraad tot aanwijzing voorkeursrecht gronden in gemeente Hardenberg

De gemeenteraad van Hardenberg had bij besluit van 20 december 2000 gronden aangewezen waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) van toepassing zijn. Appellanten maakten bezwaar tegen deze aanwijzing, dat door de raad ongegrond werd verklaard. De rechtbank te Zwolle verklaarde het beroep van appellanten tegen dit besluit eveneens ongegrond.

Appellanten stelden in hoger beroep dat de raad niet bevoegd was tot het vestigen van het voorkeursrecht op de betreffende percelen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de raad bevoegd was omdat de toegedachte uitbreidingscapaciteit voor de gehele gemeente geldt en dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 8 Wvg Pro waren vervuld.

De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200202641/1.
Datum uitspraak: 18 december 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], allen wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Zwolle van 2 april 2002 in het geding tussen:
appellanten
en
de raad van de gemeente Hardenberg.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 december 2000 heeft de raad van de gemeente Hardenberg (hierna: de raad) op grond van artikel 8 van Pro de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg) nader aangegeven percelen aangewezen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn.
Bij besluit van 31 mei 2001 heeft de raad het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie Bezwaarschriften van 15 februari 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 2 april 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Zwolle (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 30 juli 2002 heeft de raad van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], juridisch adviseur te Groningen, en de raad, vertegenwoordigd door D.C. Roessink, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wvg, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad gronden aanwijzen waarop van toepassing zijn de artikelen 10, 11-24, 26 en 27, voor zover die gronden nog niet zijn opgenomen in een ter inzage gelegd ontwerp van een structuurplan als bedoeld in artikel 2, eerste lid, of van een bestemmingsplan, waarbij aan de betrokken gronden een gewijzigde bestemming wordt toegedacht onderscheidenlijk gegeven.
Ingevolge het tweede lid komen voor een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid alleen in aanmerking gronden waaraan bij raadsbesluit een niet-agrarische bestemming wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming.
Ingevolge artikel 2a van de Wvg, voor zover hier van belang, kan een besluit als bedoeld in artikel 8, eerste lid, worden genomen door de raad van een gemeente, waaraan zelfstandig of samen met andere gemeenten blijkens nationaal of provinciaal ruimtelijk beleid uitbreidingscapaciteit is toegedacht of gegeven.
2.2. Anders dan appellanten hebben betoogd, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat de toegedachte of gegeven uitbreidingscapaciteit de gehele gemeente Hardenberg geldt en dat de raad derhalve bevoegd was tot vestiging van een voorkeursrecht op de onderhavige percelen. Voorts heeft zij terecht geoordeeld dat bij de toegedachte bestemming sprake zal zijn van intensiever gebruik zodat is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 8 van Pro de Wvg.
2.3. Het hoger beroep is dan ook ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. D.A.C. Slump, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.
w.g. Van der Does w.g. Zwemstra
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2002
91-395.