Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2002:AF1785

Raad van State

Datum uitspraak
11 december 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200203464/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.H.B. van der Meer
  • I. Sluiter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen afkeuring gevelsteen bij bouw woning

Burgemeester en wethouders van Westervoort verleenden aan appellant een bouwvergunning voor een woning. Later keurden zij de gebruikte gevelsteen af, omdat deze niet overeenkwam met het beeldkwaliteitsplan. Appellant maakte bezwaar tegen deze afkeuring, maar dit bezwaar werd door burgemeester en wethouders niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de beslissing van 31 oktober 2000 om de gevelsteen niet goed te keuren geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro is, omdat het geen rechtsgevolg heeft en slechts een feitelijke constatering betreft.

De Afdeling bevestigde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt bevestigd.

Uitspraak

200203464/1.
Datum uitspraak: 11 december 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Arnhem van 16 mei 2002 in het geding tussen:
appellant
en
burgemeester en wethouders van Westervoort.
1. Procesverloop
Bij besluit van 11 juli 2000 hebben burgemeester en wethouders van Westervoort (hierna: burgemeester en wethouders) aan appellant bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie].
Bij brief van 21 november 2000 hebben burgemeester en wethouders, in reactie op de brieven van appellant van 26 oktober en 29 oktober 2000, hun visie weergegeven over het verhandelde rondom de verleende bouwvergunning, waarin onder meer de passage is opgenomen dat zij op 31 oktober 2000 hebben besloten om de op dat moment gedeeltelijk verwerkte gevelsteen in de in aanbouw zijnde woning van appellant niet goed te keuren.
Bij brief van 28 december 2000 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de beslissing van burgemeester en wethouders om de verwerkte gevelstenen af te keuren.
Bij besluit van 3 juli 2001 hebben burgemeester en wethouders het bezwaarschrift van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is
aangehecht.
Bij uitspraak van 16 mei 2002, verzonden op die dag, heeft de rechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 25 juni 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 29 augustus 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2002, waar appellant in persoon en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door E.G.A. van Karnenbeek en F.J. Best, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder een besluit – waartegen op grond van artikel 7:1 in Pro samenhang met artikel 8:1 van Pro die wet bezwaar kan worden gemaakt – verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2.2. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de mondelinge beslissing van burgemeester en wethouders van 31 oktober 2000, die is weergegeven in de brief van 21 november 2000, strekkende tot het niet goedkeuren van de door appellant gebruikte gevelsteen bij de bouw van zijn woning, niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Deze beslissing is niet gericht op rechtsgevolg, nu appellant daarbij slechts te kennen is gegeven dat de steenkeuze niet in overeenstemming is met de donkerrode steen als beschreven in het beeldkwaliteitsplan, die ter goedkeuring aan de gemeente had moeten worden aangeboden, en de verleende bouwvergunning. Dit is niet meer dan een feitelijke constatering zonder rechtsgevolgen. Van het (doen) stilleggen van de bouwwerkzaamheden of anderszins handhavend optreden was geen sprake. Dat appellant zich in de gegeven situatie genoodzaakt zag om het reeds (gedeeltelijk) gebouwde af te breken doet daaraan niet af. Evenmin kan de omstandigheid dat de commissie bezwaar- en beroepschriften van de Gemeente Westervoort zich op het standpunt heeft gesteld dat er wél sprake is van een appellabel besluit, tot een ander oordeel leiden.
2.3. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat burgemeester en wethouders het bezwaar tegen de beslissing van 31 oktober 2000 terecht niet-ontvankelijk hebben verklaard.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.
w.g. Van der Meer w.g. Sluiter
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2002.
292.