200202608/1.
Datum uitspraak: 4 december 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 26 april 2002 in het geding tussen:
de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
Bij besluit van 10 november 2000 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) de aan appellante verstrekte huursubsidie ten bedrage van ƒ 2544,00 (€ 1154,42) voor het bewonen van de woning aan het [locatie] te [plaats] over het subsidietijdvak in de periode 1 juli 1996 tot 1 juli 1997 herzien, nader vastgesteld op nihil en de over dit tijdvak teveel betaalde huursubsidie van haar teruggevorderd.
Bij besluit van 25 september 2001 heeft de Staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 26 april 2002, verzonden op 29 april 2002, heeft de rechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 13 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 14 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 28 augustus 2002 heeft de Staatssecretaris een memorie van antwoord ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2002, waar de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R.F. Thunnissen, advocaat te Den Haag, is verschenen.
2.1. De rechtbank heeft - samengevat weergegeven - geoordeeld dat de Staatssecretaris de huursubsidie terecht op nihil heeft gesteld en dat het besluit tot terugvordering van het teveel verstrekte niet onjuist kan worden geacht. Dit oordeel wordt in hoger beroep niet bestreden.
2.2. Appellante betoogt dat haar een beroepsmogelijkheid is onthouden. Daartoe stelt zij dat het primaire besluit niet deugdelijk was gemotiveerd, waardoor zij geen behoorlijk bezwaar heeft kunnen indienen, en geen noodzaak zag om de hoorzitting in de bezwaarfase bij te wonen.
2.2.1. Dit betoog faalt. Op 20 november 2000 is aan appellante een brief gezonden die een nadere motivering van het - van tien dagen eerder daterende - primaire besluit bevat. Gesteld noch gebleken is dat appellante deze brief niet heeft ontvangen. Nu het bezwaarschrift dateert van 27 november 2000 en dit nadien nog door appellante had mogen worden aangevuld, moet worden aangenomen dat het voor haar mogelijk was in de bezwaarfase inhoudelijk op het primaire besluit en de daaraan ten grondslag liggende redenen in te gaan.
Vaststaat dat appellante is uitgenodigd voor een mondelinge en eventueel een telefonische toelichting van haar bezwaarschrift. Dat appellant ervoor heeft gekozen hiervan geen gebruik te maken, kan niet aan de Staatssecretaris worden tegengeworpen.
Overigens heeft appellant in beroep noch in hoger beroep het in bezwaar gehandhaafde besluit inhoudelijk bestreden.
2.2.2. Aan appellante is de mogelijkheid geboden haar zienswijze omtrent de in de brief van 20 november 2000 genoemde nadere gronden kenbaar te maken. Hoewel moet worden toegegeven - hetgeen de Staatssecretaris heeft gedaan in de beslissing op bezwaar - dat voornoemde brief tegelijk met het primaire besluit had moeten worden verzonden, kan in dit geval niet staande worden gehouden dat appellante een rechtsgang is onthouden.
2.3. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd leidt derhalve niet tot een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.J. Boukema, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.
w.g. Boukema w.g. Schortinghuis
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2002