ECLI:NL:RVS:2002:AE9892

Raad van State

Datum uitspraak
6 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200200603/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
  • O. van Loon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Reglement Participatiefonds voor het Voortgezet onderwijsArt. 9 Reglement Participatiefonds voor het Voortgezet onderwijsArt. 28 Reglement Participatiefonds voor het Voortgezet onderwijs
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op vergoeding uitkeringskosten bij beëindiging tijdelijk dienstverband wegens niet-naleving inspanningsverplichting

Stichting Voortgezet Onderwijs De Liemers had een tijdelijk dienstverband van een leerkracht beëindigd per 1 augustus 2000, gelijkgesteld aan ontslag. Verweerster, Stichting Participatiefonds voor het onderwijs, weigerde de uitkeringskosten hiervan te vergoeden omdat appellante niet had voldaan aan de inspanningsverplichting uit het Reglement Participatiefonds, met name door het achterwege laten van de verplichte voormelding bij de uitkeringsorganisatie USZO.

Appellante stelde dat deze voormelding geen imperatieve voorwaarde was en dat zij desondanks aan haar inspanningsverplichting had voldaan. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog echter dat de voormelding onderdeel is van een algemeen verbindend voorschrift en dat de opsomming van inspanningen in het Reglement een imperatieve karakter heeft, waardoor het betoog faalt.

Verder stelde appellante dat verweerster ten onrechte geen gebruik had gemaakt van de bevoegdheid om van het Reglement af te wijken wegens zwaarwegende redenen. Dit betoog werd eveneens verworpen omdat het beroep op deze bevoegdheid pas in het beroepschrift werd gedaan en niet eerder, zodat verweerster hierop niet hoefde te anticiperen.

De Afdeling verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 6 november 2002.

Uitkomst: Het beroep van Stichting Voortgezet Onderwijs De Liemers wordt ongegrond verklaard wegens niet-naleving van de inspanningsverplichting.

Uitspraak

200200603/1.
Datum uitspraak: 6 november 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de stichting "Stichting Voortgezet Onderwijs De Liemers", gevestigd te Zevenaar,
appellante,
en
de stichting "Stichting Participatiefonds voor het onderwijs",
verweerster.
1. Procesverloop
Bij besluit van 30 maart 2001 heeft verweerster geweigerd de uitkeringskosten die voortvloeien uit de met een ontslag gelijk te stellen beëindiging van een tijdelijk dienstverband door appellante van een leerkracht met ingang van 1 augustus 2000, voor haar rekening te nemen.
Bij besluit van 21 december 2001 heeft verweerster het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 30 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 31 januari 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 februari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 17 april 2002 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 augustus 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. M.J. van Pomeren, advocaat te Amsterdam en verweerster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaarschrift van appellante ongegrond verklaard en geweigerd de uitkeringskosten voortvloeiende uit de met een ontslag gelijk te stellen beëindiging van een tijdelijk dienstverband door appellante van een leerkracht met ingang van 1 augustus 2000 ten laste van het Participatiefonds te brengen. Zij heeft hiertoe overwogen, dat het ontslag weliswaar op grond van artikel 9, aanhef en onder a, van het Reglement Participatiefonds voor het Voortgezet onderwijs voor het schooljaar 2000-2001 (hierna: het Reglement) als onvermijdbaar kan worden aangemerkt, maar dat appellante niet volledig heeft voldaan aan de op grond van artikel 4 van Pro het Reglement op haar rustende inspanningsverplichting, nu voormelding van het ontslag bij de uitkeringsorganisatie, te weten de USZO, achterwege is gebleven.
2.2. Niet in geschil is dat voormelding van het ontslag bij de USZO niet heeft plaatsgevonden. Appellante stelt zich echter op het standpunt dat de voormelding in het Reglement niet als een imperatieve voorwaarde ter invulling van de inspanningsverplichting is opgenomen en dat zij - ook zonder voormelding - heeft voldaan aan de op grond van het Reglement op haar rustende inspanningsverplichting.
2.2.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 26 juni 2002 inzake nr. 200105133/1 (aangehecht), moet het onderdeel van de toelichting bij artikel 4 van Pro het Reglement dat betrekking heeft op de inspanningsverplichting bij ontslag uit een tijdelijk dienstverband voor wat betreft categorie IV ("hulp bij behoud van werk, extern") worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift. Uit de eveneens aangehechte uitspraak van 21 augustus 2002 inzake nr. 200105714/1 volgt dat categorie IV een imperatieve opsomming bevat van inspanningen die moeten worden verricht teneinde aan dit onderdeel van de inspanningsverplichting te voldoen. Het betoog faalt derhalve.
2.3. Appellante heeft verder betoogd dat verweerster ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid, voorzien in artikel 28 van Pro het Reglement, om om zwaarwegende redenen van het Reglement af te wijken.
2.3.1. Ook dit betoog faalt. Appellante heeft eerst in haar beroepschrift een beroep op artikel 28, tweede lid, van het Reglement gedaan, terwijl hetgeen zij bij de melding van het ontslag en in bezwaar heeft aangevoerd verweerster geen aanleiding behoefde te geven om dat als een zodanig beroep op te vatten. Reeds hierom is geen plaats voor het oordeel dat zij aan artikel 28, tweede lid, van het Reglement ten onrechte geen toepassing heeft gegeven.
2.4. Het beroep is ongegrond.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Loon
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2002
284.