ECLI:NL:RVS:2002:AE8504

Raad van State

Datum uitspraak
9 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200103937/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.A.E. van der Does
  • W. van den Brink
  • D.A.C. Slump
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 53 JachtwetArt. 12a JachtwetArt. 12b JachtwetArt. 26 JachtwetArt. 45 Jachtwet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake vergunning nachtjacht op vossen ter bescherming das

De minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij verleende op 28 december 1998 een vergunning aan de Vereniging Wildbeheereenheid Kuinder en Linde voor het doden van vossen met gebruik van geweer en kogelbuks met kunstlicht. Na bezwaar van de Stichting Faunabescherming verklaarde de minister dit bezwaar gegrond op 9 september 1999, waarna de rechtbank Leeuwarden op 26 juni 2001 het beroep van de WBE tegen deze beslissing gegrond verklaarde en het besluit op bezwaar vernietigde.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het gewijzigde standpunt van de minister, gebaseerd op nieuw inzicht dat een toenemende vossenpopulatie geen negatieve effecten op de herintroductie van de das heeft, voldoende was gemotiveerd. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat het ontbreken van verwijzing naar een convenant uit 1994 een motiveringsgebrek vormde. De Afdeling stelde dat de vergunningverlening op grond van artikel 53 van Pro de Jachtwet geen plaats meer heeft.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de WBE alsnog ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van de Vereniging Wildbeheereenheid Kuinder en Linde wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.

Uitspraak

200103937/1.
Datum uitspraak: 9 oktober 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 26 juni 2001 in het geding tussen:
de vereniging "De Vereniging Wildbeheereenheid Kuinder en Linde", gevestigd te Oldeberkoop
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 december 1998 heeft de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aan de Vereniging Wildbeheereenheid Kuinder en Linde (hierna: de WBE) een vergunning verleend om voor het doden van vossen gebruik te maken van het geweer en de kogelbuks met behulp van kunstlicht.
Bij besluit van 9 september 1999 heeft appellant het daartegen door de Stichting Faunabescherming gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 26 juni 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door de WBE ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 18 oktober 2001 heeft de WBE een memorie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2002, waar namens appellant J.M. Hagoort, ambtenaar van het ministerie en, namens de WBE [gemachtigde], zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 53, eerste lid, aanhef en onder d, van de Jachtwet kan Onze Minister, indien er naar zijn oordeel geen andere bevredigende oplossing bestaat dan het bejagen van wild, vergunning verlenen om met afwijking van de voorschriften bij of krachtens deze wet gegeven - behoudens voor wat betreft de verplichting tot verzekering overeenkomstig het bij en krachtens de artikelen 12a en 12b bepaalde en het voorschrift van artikel 26, eerste lid, onderdeel k - te jagen op wildsoorten ter bescherming van flora en fauna.
2.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het door appellant ingenomen, op basis van voortschrijdend inzicht van zijn eerdere visie afwijkend, standpunt dat bij een toenemende vossenpopulatie niet gevreesd hoeft te worden voor negatieve effecten op de herintroductie van de das, niet onaannemelijk of onvoldoende onderbouwd is. Tegelijkertijd echter heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd voorzover daarin geen aandacht is besteed aan de vraag waarom een voorheen in het belang van de das geacht convenant (op 11 februari 1994 gesloten door de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging en de Vereniging Das en Boom) niet langer wordt ondersteund door de verlening van een nachtjachtvergunning ter compensatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant er ten onrechte mee volstaan in te gaan op de vragen of de vos herintroductie van de das in de weg staat en of aansprakelijkheid op grond van artikel 45 van Pro de Jachtwet te verwachten valt.
2.3. Het hoger beroep van appellant is tegen de laatste overwegingen van de rechtbank en de daarop steunende vernietiging van de beslissing op bezwaar gericht.
2.4. De grieven van appellant treffen doel. Het gaat hier om vergunningverlening op grond van artikel 53 van Pro de Jachtwet. Appellant heeft zich dan ook terecht geconcentreerd op beantwoording van de vragen die in dat kader beantwoording behoeven. Appellant heeft bij zijn beslissing op bezwaar afdoende gemotiveerd uiteengezet om welke redenen het in het verleden gevoerde beleid, gebaseerd op de vrees voor verdringing van de das bij een te hoge vossenstand, is verlaten. Daarmee is naar het oordeel van de Afdeling tevens voldoende onderbouwd dat voor vergunningverlening op grond van artikel 53 van Pro de Jachtwet geen plaats (meer) is.
De Afdeling is voorts, anders dan de rechtbank van oordeel, dat in het ontbreken van een verwijzing naar het convenant geen motiveringsgebrek is gelegen. Appellant heeft terecht aangevoerd dat niet dit convenant, waarbij hij ook geen partij was, maar de inmiddels verlaten visie op de invloed van de vossenstand op de mogelijkheden van de herintroductie van de das in het verleden tot vergunningverlening heeft geleid. Appellant heeft aan de omstandigheid dat de vereniging die vergunningverlening wellicht als een zekere compensatie heeft ervaren voor het vrijwillig afzien van het gebruik van enkele wettelijk toegestane methoden om de vos te bejagen terecht geen betekenis toegekend bij beantwoording van de, bij toepassing van artikel 53 van Pro de Jachtwet centraal staande, vraag of de vergunningverlening ter bescherming van flora en fauna noodzakelijk is. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.
2.5. Voor het overige heeft de rechtbank het betoog van appellant, dat de leden van de WBE niet hoeven te vrezen voor aansprakelijkstellingen op grond van artikel 45 van Pro de Jachtwet indien de nachtjachtvergunning niet wordt verleend, terecht niet onaannemelijk geacht. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat appellant niet verweten kan worden, dat hij in de beslissing op bezwaar is voorbijgegaan aan het betoog van de WBE, dat de nachtjachtvergunning mede in het belang van de weidevogelstand moet worden verleend, nu de vergunning uitsluitend is aangevraagd met het oog op bescherming van de das tegen de vos.
Nu, gelet op het vorenstaande, niet gebleken is van omstandigheden die appellant ertoe hadden moeten brengen de vergunning na heroverweging te handhaven, zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 26 juni 2001, 99/965 BESLU;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van de Vereniging Wildbeheereenheid Kuinder en Linde alsnog ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. D.A.C. Slump, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.
w.g. Van der Does w.g. Matulewicz
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2002
45-405.