ECLI:NL:RVS:2002:AE8478
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning na overdracht asielverzoek aan Duitsland
Appellanten, Afghaanse asielzoekers, verzochten om een verblijfsvergunning in Nederland. De Staatssecretaris van Justitie wees deze aanvragen af omdat Duitsland, waar zij eerst een asielverzoek indienden, verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Overeenkomst van Dublin. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond.
Appellanten voerden aan dat Nederland een gunstiger uitzettingsbeleid hanteert dan Duitsland, waaronder een besluitmoratorium en categoriale bescherming, en dat overdracht aan Duitsland daardoor een schending van internationale verdragen zou zijn. De Raad van State overwoog dat de staatssecretaris mag uitgaan van naleving van internationale verplichtingen door andere lidstaten en dat appellanten onvoldoende concrete aanwijzingen hadden geleverd dat Duitsland deze verplichtingen jegens hen niet zou nakomen.
De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunningen en verklaart het hoger beroep ongegrond.