ECLI:NL:RVS:2002:AE8412
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- A.U. Kallan
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake vreemdelingenbewaring na aanvraag verblijfsvergunning
Appellant is op 24 juni 2002 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde op 10 juli 2002 het tegen deze bewaring ingestelde beroep ongegrond. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
Appellant voerde aan dat de rechtbank ten onrechte geen rekening hield met het feit dat na zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd geen categoriewijziging had plaatsgevonden, waardoor de bewaring ambtshalve had moeten worden opgeheven. Tevens werden algemene beginselen van behoorlijk bestuur en belangenafweging aangevoerd.
De Raad van State oordeelt dat deze grieven geen onderdeel van de aangevallen uitspraak raken en derhalve niet ontvankelijk zijn. Ook is geen reden om de bewaring op te heffen, mede omdat de staatssecretaris heeft medegedeeld dat een categoriewijziging zal plaatsvinden en tijdig op de aanvraag zal worden beslist.
Het hoger beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond, waardoor de vreemdelingenbewaring gehandhaafd blijft.