ECLI:NL:RVS:2002:AE8412

Raad van State

Datum uitspraak
14 augustus 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200203861/1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • A.U. Kallan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 85 Vreemdelingenwet 2000Art. 6:5 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake vreemdelingenbewaring na aanvraag verblijfsvergunning

Appellant is op 24 juni 2002 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde op 10 juli 2002 het tegen deze bewaring ingestelde beroep ongegrond. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.

Appellant voerde aan dat de rechtbank ten onrechte geen rekening hield met het feit dat na zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd geen categoriewijziging had plaatsgevonden, waardoor de bewaring ambtshalve had moeten worden opgeheven. Tevens werden algemene beginselen van behoorlijk bestuur en belangenafweging aangevoerd.

De Raad van State oordeelt dat deze grieven geen onderdeel van de aangevallen uitspraak raken en derhalve niet ontvankelijk zijn. Ook is geen reden om de bewaring op te heffen, mede omdat de staatssecretaris heeft medegedeeld dat een categoriewijziging zal plaatsvinden en tijdig op de aanvraag zal worden beslist.

Het hoger beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond, waardoor de vreemdelingenbewaring gehandhaafd blijft.

Uitspraak

Raad
van State
200203861/1.
Datum uitspraak: 14 augustus 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling] alias [alias],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 10 juli 2002 in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 juni 2002 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 10 juli 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, het met een kennisgeving vanwege de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) daartegen aanhangig gemaakte beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 17 juli 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 24 juli 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een reactie ingediend.
Bij brief van 1 augustus 2002 heeft appellant een nader stuk ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bevat het hoger-beroepschrift in aanvulling op de in artikel 6:5, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gestelde eisen, één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter.
Ingevolge het tweede lid van dat artikel omschrijft een grief het onderdeel van de uitspraak waarmee de indiener zich niet kan verenigen, alsmede de gronden waarop de indiener zich daarmee niet kan verenigen.
2.2. Hetgeen als eerste is aangevoerd, betreft uitsluitend een herhaling van in beroep naar voren gebrachte standpunten, waarop de rechtbank heeft beslist. Hetgeen door appellant is aangevoerd met betrekking tot de belangenafweging en de strijdigheid met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur richt zich niet tegen een onderdeel van de aangevallen uitspraak.
Mitsdien is geen sprake van grieven in de zin van voormeld artikel 85, tweede lid, van de Vw 2000. Het aldus aangevoerde kan derhalve niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
2.3. De tweede grief klaagt dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de omstandigheid dat, nadat appellant een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft ingediend, geen categoriewijziging heeft plaatsgevonden. Volgens appellant had de rechtbank hierin ambtshalve aanleiding moeten zien om de vreemdelingenbewaring op te heffen.
2.4. Deze grief faalt. Er is geen grond voor het oordeel dat de rechtbank in de enkele mededeling ter zitting dat op 25 juni 2002 een aanvraag, als door hem gesteld, naar de vreemdelingendienst is verzonden, ambtshalve aanleiding had moeten vinden om de bewaring op te heffen.
Overigens is daar zijdens de staatssecretaris medegedeeld dat naar aanleiding van de door appellant ingediende aanvraag een categoriewijziging zal plaatsvinden en dat tijdig op de aanvraag zal worden beslist.
2.5. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Kallan
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2002
15-343.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift
de Secretaris van de Raad van State
voor deze,