ECLI:NL:RVS:2002:AE7500
Raad van State
- Hoger beroep
- B. van Wagtendonk
- M. Vlasblom
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuursrechtelijke uitspraak over vreemdelingenbewaring en rechtmatig verblijf
Appellant werd op 12 april 2002 in vreemdelingenbewaring gesteld door de staatssecretaris van Justitie. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze bewaring ongegrond op 26 april 2002. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of appellant rechtmatig verblijf had in afwachting van de beslissing op een bezwaar tegen een eerdere weigering van verlenging van de verblijfsvergunning en de ongewenstverklaring. De rechtbank had geoordeeld dat appellant geen rechtmatig verblijf had op grond van artikel 73 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
De Raad van State oordeelde dat op het bezwaar het formele recht van de oude Vreemdelingenwet van toepassing was, maar het materiële recht van de Vreemdelingenwet 2000 geldt. Omdat appellant ongewenst is verklaard, kan hij geen rechtmatig verblijf hebben volgens artikel 67, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De voorzieningenrechterlijke beslissing dat appellant niet uitgezet kon worden voordat hij was gehoord, leidt niet tot rechtmatig verblijf.
Daarom bevestigde de Raad van State de uitspraak van de rechtbank dat de staatssecretaris appellant terecht in bewaring heeft gesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de staatssecretaris appellant terecht in vreemdelingenbewaring heeft gesteld wegens ontbreken van rechtmatig verblijf.