Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van burgemeester en wethouders van Margraten om niet over te gaan tot intrekking van een bouwvergunning voor een woning op een perceel. De bouwvergunning was verleend aan een vergunninghouder die niet binnen de gestelde termijn van 26 weken was begonnen met bouwen. Burgemeester en wethouders zagen echter af van intrekking omdat de bouw in overeenstemming was met het bestemmingsplan en de vergunninghouder voornemens was op korte termijn te starten met de werkzaamheden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat burgemeester en wethouders een redelijk motief hadden om af te zien van intrekking, mede omdat het belang van appellant, die zich zorgen maakte over de stankcirkel van zijn agrarisch bedrijf, niet doorslaggevend was.
Er was geen sprake van onredelijkheid in het besluit en er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot intrekking van de bouwvergunning bevestigd.
Uitspraak
200105949/1.
Datum uitspraak: 28 augustus 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats]
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 24 oktober 2001 in het geding tussen:
appellant
en
burgemeester en wethouders van Margraten.
1. Procesverloop
Bij besluit van 23 maart 2000 hebben burgemeester en wethouders van Margraten (hierna: burgemeester en wethouders) het verzoek van appellant, om een aan [vergunninghouder] bij besluit van 13 februari 1990 verleende bouwvergunning voor de bouw van een woning op het perceel kadastraal bekend […], sectie […] nr. […], plaatselijk bekend [plaats] in te trekken, afgewezen.
Bij besluit van 5 september 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Intergemeentelijke Adviescommissie voor Bezwaar- en Beroepschriften van 2 augustus 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 24 oktober 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 2 december 2001, bij de Raad van State ingekomen per fax op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 23 januari 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.
Bij brief van 31 januari 2002 heeft [vergunninghouder] een reactie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 augustus 2002, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. S.T.C. Lahaye en mr. J.A. Sanders, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. H.G.M.F. Rothkranz, advocaat te Maastricht. Appellant is niet verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op het besluit van burgemeester en wethouders van 5 september 2000.
2.2. Ingevolge artikel 59, eerste lid aanhef en onder c, van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning intrekken indien binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn geen begin met de werkzaamheden is gemaakt.
In artikel 4.1 van de bouwverordening van de gemeente Margraten (hierna: de bouwverordening) is evenbedoelde termijn gesteld op 26 weken.
2.3. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank bestreden dat burgemeester en wethouders er in redelijkheid van hebben kunnen afzien tot intrekking van de bouwvergunning ten behoeve van de bouw van een woning op het perceel over te gaan.
2.4. Bij besluit van 13 februari 1990 hebben burgemeester en wethouders aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het bouwen van een woonhuis op het perceel. Deze bouwvergunning is onherroepelijk. Bij brief van 23 maart 2000 hebben burgemeester en wethouders, naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek, de bouwvergunning op naam gesteld van [vergunninghouder]. Vast staat dat [vergunninghouder] kort daarna een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering van dit bouwplan.
2.5. Nu [vergunninghouder], aan wie de bouwvergunning is verleend, niet binnen 26 weken na verlening van de bouwvergunning een begin heeft gemaakt met de bouwwerkzaamheden, waren burgemeester en wethouders bevoegd ingevolge het bepaalde in artikel 59 vanPro de Woningwet en artikel 4.1 van de bouwverordening de bouwvergunning in te trekken.
Burgemeester en wethouders hebben echter afgezien om gebruik te maken van hun bevoegdheid om tot intrekking van de bouwvergunning over te gaan, omdat de bouw van de woning in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en ten tijde van het verzoek van appellant
[Vergunninghouder] voornemens was op korte termijn een aanvang te maken met de bouwwerkzaamheden. Zij hebben geen doorslaggevend gewicht toegekend aan het door appellant gestelde belang dat hij door de bouw van de woning wordt beperkt in de uitoefening van zijn agrarisch bedrijf omdat de woning is gesitueerd binnen de stankcirkel van zijn bedrijf. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat burgemeester en wethouders een redelijk motief om af te zien van hun bevoegdheid tot intrekking van de bouwvergunning niet kan worden ontzegd, met name niet nu de bouw van de woning, waartoe de vergunning strekt, in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en er geen herziening van dat plan in voorbereiding was. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat burgemeester en wethouders bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voorzover aangevallen, dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. C.A. Terwee-van Hilten en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.