ECLI:NL:RVS:2002:AE6719

Raad van State

Datum uitspraak
21 augustus 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200106379/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen dwangsombeschikking bouwstop

Appellant werd door burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel gesommeerd om de bouwwerkzaamheden aan zijn woning onmiddellijk te staken onder oplegging van een dwangsom. Appellant reageerde met een brief die niet als bezwaarschrift werd aangemerkt. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde, stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State.

De kern van het hoger beroep was de vraag of de brief van 11 december 2000 als bezwaarschrift in de zin van artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kon worden beschouwd. Appellant stelde dat het bestuursorgaan had moeten nagaan of hij bezwaar wilde maken, mede gezien de correspondentie en gesprekken die erop wezen dat hij het niet eens was met de bouwstop.

De Raad van State oordeelde dat de brief niet de bedoeling had om bezwaar te maken, omdat appellant daarin uitdrukkelijk berustte in het stilleggen van de bouwactiviteiten. Ook de opmerkingen over conserverende en veiligheidsvoorzieningen konden niet worden opgevat als een bezwaarschrift tegen de dwangsombeschikking. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200106379/1.
Datum uitspraak: 21 augustus 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats]
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 13 november 2001 in het geding tussen:
appellant
en
burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 8 december 2000 hebben burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel (hierna: burgemeester en wethouders) appellant, onder oplegging van een dwangsom, gesommeerd om met onmiddellijke ingang de bouwwerkzaamheden aan de woning op het perceel [locatie] te [plaats] te staken.
Bij brief van 11 december 2000 heeft appellant gereageerd op dit besluit. Vervolgens heeft appellant bij brief van 18 januari 2001 aan burgemeester en wethouders verzocht zijn brief van 11 december 2000 als bezwaarschrift tegen het besluit van 8 december 2000 aan te merken.
Bij besluit van 23 februari 2001 hebben burgemeester en wethouders het tegen het besluit van 8 december 2000 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit en het advies van de onafhankelijke Commissie Rechtsbescherming van 5 februari 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 13 november 2001, verzonden op 14 november 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 21 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 26 april 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M.J.M.G. van Gerwen, advocaat te
‘s-Hertogenbosch, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. A.J. Kisjes, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de overweging van de rechtbank dat burgemeester en wethouders de brief van 11 december 2000 terecht niet als bezwaarschrift in de zin van artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) hebben aangemerkt.
2.2. Appellant heeft hiertoe betoogd dat het bestuursorgaan zich ervan had dienen te vergewissen of de bedoeling van de brief was om bezwaar te maken. Dit weegt volgens appellant des te zwaarder nu burgemeester en wethouders uit de brief van 11 december 2000 en de overige met de gemeente gevoerde correspondentie en gesprekken hadden kunnen afleiden dat hij het oneens was met de schorsing van de bouwvergunning.
Voorts stelt appellant met de opmerkingen in de brief van 11 december 2000 betreffende de voorzieningen ten behoeve van het behoud van zijn woning te hebben beoogd bezwaar te maken tegen de dwangsombeschikking.
2.3. De Afdeling kan zich verenigen met de overwegingen die de rechtbank tot het oordeel hebben geleid dat gelet op de aard, inhoud en strekking van de brief van 11 december 2000 deze niet kan worden aangemerkt als bezwaarschrift in de zin van artikel 6:5 van Pro de Awb. In de brief is met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht dat appellant berust in het stilleggen van de bouwactiviteiten. Het karakter van een bezwaarschrift tegen de dwangsombeschikking is evenmin af te leiden uit de opmerkingen van appellant over zijn voornemen enkele juist in verband met het stilleggen van de bouw door hem noodzakelijk geachte conserverende dan wel veiligheidsvoorzieningen aan zijn in aanbouw zijnde woning te treffen.
Mitsdien faalt het betoog van appellant terzake.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.
w.g. van den Brink w.g. Haan
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2002
27-394.