ECLI:NL:RVS:2002:AE6633
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- M. Vlasblom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over vreemdelingenbewaring en vertrekplicht
Appellant werd op 8 april 2002 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank te ’s-Gravenhage verklaarde op 24 april 2002 het beroep van appellant tegen deze bewaring ongegrond. Appellant stelde hiertegen hoger beroep bij de Raad van State.
In het hoger beroep klaagde appellant dat hij zich niet aan zijn vertrekplicht kon houden vanwege objectieve beletsels en het risico op foltering of onmenselijke behandeling bij terugkeer, verwijzend naar internationale verdragen zoals het Vluchtelingenverdrag. De Raad van State oordeelde dat dergelijke bescherming alleen beoordeeld wordt bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel, wat hier niet aan de orde was.
Daarnaast bevatte het hoger-beroepschrift geen geldige grieven tegen de uitspraak van de rechtbank. Daarom verklaarde de Raad van State het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.