ECLI:NL:RVS:2002:AE6050
Raad van State
- Hoger beroep
- P. van Dijk
- R.W.L. Loeb
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid vreemdelingenbewaring ondanks schending binnentredingsvoorschriften
Appellant is op 25 maart 2002 in vreemdelingenbewaring gesteld door de Minister van Justitie. De rechtbank verklaarde het tegen deze bewaring ingestelde beroep ongegrond. Appellant voerde hoger beroep aan tegen deze uitspraak, stellende dat de bewaring onrechtmatig is omdat ambtenaren zonder toestemming zijn binnengedrongen in een woning waarbij voorschriften van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi) niet zijn nageleefd.
De Raad van State overwoog dat zelfs indien appellant als bewoner in zijn belangen is geschaad door het niet naleven van de Awbi-voorschriften, dit niet leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring. De schending betrof voorschriften die niet direct zien op het binnentreden zelf. Aangezien aan de vereisten voor de inbewaringstelling was voldaan en de vrijheidsontnemende maatregel niet in strijd is met de wet, is de maatregel in redelijkheid gerechtvaardigd.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 29 mei 2002.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring ondanks schending van enkele binnentredingsvoorschriften.