ECLI:NL:RVS:2002:AE5967

Raad van State

Datum uitspraak
31 juli 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200200720/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Boll
  • P.A. de Vink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vergunning voor paardenhouderij en opslag mest in Veendam

Verweerders, burgemeester en wethouders van Veendam, verleenden op 11 december 2001 een vergunning aan een vergunninghouder voor het oprichten en exploiteren van een inrichting voor het houden, verhandelen en trainen van maximaal 15 paarden en pony’s, inclusief opslag van vrijkomende zaagselmest op een vloeistofdichte vloer met overkapping.

Appellant stelde beroep in tegen dit besluit, waarbij hij zich beperkte tot verwijzing naar eerder ingebrachte bedenkingen tegen het ontwerpbesluit. Verweerders gingen in het bestreden besluit in op deze bedenkingen. Appellant voerde echter geen nieuwe gronden aan ter onderbouwing van zijn beroep.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de weerlegging van de bedenkingen door verweerders niet onjuist was en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de vergunning voor paardenhouderij en opslag van mest wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

200200720/1.
Datum uitspraak: 31 juli 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
burgemeester en wethouders van Veendam,
verweerders.
1. Procesverloop
Bij besluit van 11 december 2001 hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het houden, verhandelen en trainen van maximaal 15 paarden en pony’s in een binnen- en buitenruimte en opslag van vrijkomende zaagselmest/stromest op een vloeistofdichte vloer met opstaande randen en een overkapping op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Veendam, sectie […], nummers […] en […]. Dit aangehechte besluit is op 27 december 2001 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 5 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen per telefaxbericht van 5 februari 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 28 maart 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2002, waar verweerders, vertegenwoordigd door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder, in persoon, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Appellant heeft zich in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit zijn verweerders ingegaan op deze bedenkingen. Appellant heeft noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist is.
2.2. Het beroep is ongegrond.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.
w.g. Boll w.g. De Vink
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002
154-325.