ECLI:NL:RVS:2002:AE5922
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- T.M.A. Claessens
- J.E.M. Polak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake vreemdelingenbewaring en uitzetting
Appellant is op 13 maart 2002 in vreemdelingenbewaring gesteld en heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle. De rechtbank verklaarde het beroep op 22 maart 2002 ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
Appellant voerde aan dat de noodzakelijke documenten voor uitzetting niet beschikbaar zijn en dat de geboekte chartervlucht was geannuleerd. Ook stelde hij dat het uitstel van vertrekbeleid niet correct aan hem was medegedeeld, waardoor zijn uitzetting onrechtmatig zou zijn. De rechtbank had hierover geen oordeel kunnen geven omdat deze informatie toen niet bekend was.
De Raad van State oordeelde dat de Vreemdelingenwet 2000 niet vereist dat de vreemdeling voorafgaand aan inbewaringstelling expliciet wordt uitgenodigd om omstandigheden aan te voeren tegen bewaring. Appellant had tijdens het gehoor met bijstand van een raadsman zijn redenen kenbaar gemaakt, zonder bijzondere omstandigheden aan te voeren.
Verder stelde de Raad dat het niet persoonlijk mededelen van het beëindigen van het uitstel van vertrek niet leidt tot het niet kunnen uitzetten van appellant. De wet vereist geen voorafgaande mededeling voor inbewaringstelling. Het hoger beroep werd dan ook kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het verzoek om schadevergoeding werd niet behandeld vanwege de ongegrondverklaring van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.