Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2002:AE5741

Raad van State

Datum uitspraak
24 juli 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200105869/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B. van Wagtendonk
  • G.A.A.M. Boot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering bouwvergunning agrarische bedrijfsloods in strijd met bestemmingsplan

Appellant verzocht om een bouwvergunning voor het oprichten van een agrarische bedrijfsloods ten behoeve van een paddestoelenkwekerij op een perceel met bestemming 'Agrarische doeleinden, klasse D'. Burgemeester en wethouders van Reimerswaal weigerden de vergunning, waarna bezwaar en beroep werden ingesteld, maar zonder succes.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan, omdat een niet grondgebonden agrarisch nevenbedrijf slechts is toegestaan indien het is toegevoegd aan een grondgebonden agrarisch bedrijf. Appellant stelde dat dit niet uit de planvoorschriften volgt, maar dit betoog werd verworpen.

De Raad van State overwoog dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat er onvoldoende grondslag was om te verwachten dat een grondgebonden agrarisch bedrijf zou worden gerealiseerd, en dat de aangevoerde jurisprudentie niet vergelijkbaar was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de bouwvergunning bevestigd.

Uitspraak

200105869/1.
Datum uitspraak: 24 juli 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant] wonend te [woonplaats] ,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Middelburg van 18 oktober 2001 in het geding tussen:
appellant
en
burgemeester en wethouders van Reimerswaal.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 augustus 2000 hebben burgemeester en wethouders van Reimerswaal (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd appellant bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een agrarische bedrijfsloods op [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 12 februari 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 18 oktober 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 november 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 december 2001. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 17 januari 2002 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door
J.R. Snoek, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het bouwplan voorziet in de oprichting van een agrarische bedrijfsloods voor de vestiging van een paddestoelenkwekerij op het perceel.
2.2. Ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied” rust op het perceel de bestemming “Agrarische doeleinden, klasse D (AD)”.
Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de voor die doeleinden aangewezen gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven, alsmede voor niet grondgebonden agrarische nevenbedrijven, mits toegevoegd aan grondgebonden agrarische bedrijven.
Niet in geschil is dat een paddestoelenkwekerij moet worden aangemerkt als een niet grondgebonden agrarisch nevenbedrijf.
2.3. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat uit de planvoorschriften niet volgt dat een niet grondgebonden agrarisch bedrijf pas is toegestaan als een grondgebonden agrarisch bedrijf is gerealiseerd. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft zich niet beperkt tot de vraag of burgemeester en wethouders zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat appellant ten tijde van het nemen van de beslissing op het bezwaar geen grondgebonden agrarisch bedrijf uitoefende. Zij heeft tevens de vraag onder ogen gezien of ten tijde van het nemen van de beslissing op het bezwaar moest worden aangenomen dat een dergelijk bedrijf alsnog tot stand zal komen en terecht geconcludeerd dat burgemeester en wethouders onvoldoende grondslag voor die verwachting aanwezig konden achten.
Daarbij wordt nog overwogen dat het in de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2001, inzake 200001594/1, waaraan appellant refereert, niet om een vergelijkbaar geval gaat, reeds omdat het daar een bestemmingsplan in een andere gemeente en een andere rechtsvraag betrof, waarin de verhouding tussen grondgebonden agrarisch bedrijf en niet grondgebonden agrarisch nevenbedrijf niet aan de orde was. Het beroep op die uitspraak slaagt dus niet.
2.4. De rechtbank is derhalve op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat burgemeester en wethouders het bouwplan terecht in strijd hebben geacht met het bestemmingsplan.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Wagtendonk w.g. Boot
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002
202.