ECLI:NL:RVS:2002:AE4891
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- J.H.C.A. Muller
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding termijn hoger beroep bestuursrecht
Appellant maakte bezwaar tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde dat het hoger beroep tijdig was ingediend omdat hij de uitspraak pas na de verzenddatum had ontvangen en dat de termijn van een week volgens hem pas bij ontvangst moest beginnen.
De Raad van State oordeelde dat volgens artikel 6:8, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht de termijn voor het indienen van hoger beroep begint te lopen vanaf de dag na verzending van de uitspraak, ongeacht de datum van ontvangst door appellant. Het feit dat de uitspraak niet per aangetekende brief of met ontvangstbevestiging was verzonden, doet hieraan niet af.
Er waren geen feiten of omstandigheden die konden rechtvaardigen dat appellant niet in verzuim was. Daarom verklaarde de Raad van State het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn volgens de Awb.