ECLI:NL:RVS:2002:AE4646

Raad van State

Datum uitspraak
26 juni 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200105143/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Boll
  • P. Plambeck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet milieubeheer
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vergunning voor veranderingsvergunning in strijd met Wet milieubeheer

Bij besluit van 21 augustus 2001 verleenden burgemeester en wethouders van Elburg een veranderingsvergunning voor het houden van 542 vleeskalveren op een perceel. De aanvraag was echter ingediend als revisievergunning, wat tot discussie leidde.

Appellante, de Vereniging Milieu-Offensief, stelde dat de vergunning onrechtmatig was verleend omdat een revisievergunning was aangevraagd en geen veranderingsvergunning. Verweerders erkenden de aanvraag als revisievergunning, maar kwalificeerden deze als veranderingsvergunning vanwege beperkte veranderingen ten opzichte van een eerder verleende revisievergunning.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de inrichting door samenvoeging met een naastgelegen perceel niet te vereenzelvigen was met de eerdere inrichting en dat de Wet milieubeheer geen bevoegdheid geeft tot wijziging van een aanvraag. Daarom moest worden beschikt op de ingediende aanvraag. Het besluit tot verlening van een veranderingsvergunning was daarmee in strijd met de Wet milieubeheer en werd vernietigd.

Daarnaast werd de gemeente Elburg veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierecht aan appellante. Het beroep werd gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

Uitkomst: Het besluit tot verlening van de veranderingsvergunning wordt vernietigd wegens strijd met de Wet milieubeheer.

Uitspraak

200105143/1.
Datum uitspraak: 26 juni 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de vereniging "Vereniging Milieu-Offensief", gevestigd te Wageningen,
appellante,
en
burgemeester en wethouders van Elburg,
verweerders.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 augustus 2001, kenmerk 7499, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het veranderen van een rundveehouderij op het perceel [locatie]. Dit aangehechte besluit is op 5 september 2001 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 17 oktober 2001, bij de Raad van State op dezelfde dag per fax ingekomen, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 november 2001. Deze brieven zijn aangehecht.
[naam] en de stichting [naam] hebben zich blijkens de aangehechte verklaring van 16 mei 2002 en brief van 23 mei 2002 teruggetrokken als mede-appellanten van dit beroep.
Bij brief van 18 januari 2001 (lees: 2002) hebben verweerders een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door A. Lowijs, gemachtigde, zijn verschenen. Voorts zijn vergunninghouders, vertegenwoordigd door [vergunninghouder] en bijgestaan door [gemachtigde], als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Bij het bestreden besluit hebben verweerders een veranderingsvergunning verleend voor het houden van 542 vleeskalveren. De aanleiding voor het doen van de aan deze vergunning ten grondslag liggende aanvraag is het uitbreiden van het veebestand en het betrekken van de gebouwen van het agrarisch bedrijf op het perceel [locatie].
Voor de inrichting op het perceel [locatie] is eerder op 20 april 1999 een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor het houden van 451 vleeskalveren.
2.2. Appellante heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte een veranderingsvergunning hebben verleend, nu een revisievergunning is aangevraagd.
2.2.1. Verweerders erkennen dat een revisievergunning is aangevraagd. Zij hebben de aanvraag echter aangemerkt als aanvraag om een veranderingsvergunning, aangezien recent nog een revisievergunning is verleend en de veranderingen ten opzichte van deze revisievergunning beperkt zijn. De Wet milieubeheer verzet zich hiertegen niet, aldus verweerders.
2.2.2. De Afdeling stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat de bij het bestreden besluit vergunde inrichting als gevolg van de samenvoeging met het naastgelegen perceel naar aard en omvang niet is te vereenzelvigen met de inrichting op het perceel [locatie] waarvoor eerder een revisievergunning is verleend. Voorts kent de Wet milieubeheer geen bepaling op grond waarvan verweerders de bevoegdheid toekomt om zelfstandig een vergunningaanvraag te wijzigen. Mede gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat moet worden beschikt op de aanvraag zoals deze is ingediend. Dit in aanmerking nemend, hebben verweerders in het onderhavige geval de grondslag van de aanvraag verlaten door een veranderingsvergunning te verlenen terwijl een revisievergunning is aangevraagd. Het bestreden besluit verdraagt zich niet met het stelsel van de Wet milieubeheer.
2.3. Het beroep is gegrond. Het bestreden bestuit dient te worden vernietigd. Het beroep behoeft voor het overige geen bespreking.
2.4. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Elburg van 21 augustus 2001, kenmerk 7499;
III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Elburg in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Elburg te worden betaald aan appellante;
IV. gelast dat de gemeente Elburg aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.
w.g. Boll w.g. Plambeck
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2002
159-399.