ECLI:NL:RVS:2002:AE3710
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning op grond van Vreemdelingenwet 2000
Appellanten hebben bij de Staatssecretaris van Justitie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van de Vreemdelingenwet 2000, welke is afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, waarna zij hoger beroep instelden bij de Raad van State.
De Raad van State overweegt dat de door appellanten aangevoerde gronden, waaronder gezondheidsredenen en individuele omstandigheden, onvoldoende zijn om te voldoen aan de criteria van klemmende redenen van humanitaire aard zoals bedoeld in artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Ook is geen sprake van bijzondere hardheid in verband met de algemene situatie in het land van herkomst die een verblijfsvergunning zou rechtvaardigen.
De Raad wijst het beroep af en bevestigt het vonnis van de rechtbank. Tevens wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak benadrukt dat de staatssecretaris zijn beleidsruimte niet onredelijk heeft benut en dat de beoordeling van de algemene situatie in het land van herkomst leidend is voor de beslissing.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd.