ECLI:NL:RVS:2002:AE2038
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- J.R. Schaafsma
- J.G.C. Wiebenga
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen last onder dwangsom geluidbegrenzer horeca-inrichting
Adamar Amsterdam Hotel B.V. kreeg op 14 december 2000 een last onder dwangsom opgelegd door burgemeester en wethouders van Amsterdam wegens het niet naleven van nadere eisen omtrent geluidbegrenzerinstallaties in haar horecagelegenheid. Deze eisen waren gesteld op grond van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer en hadden tot doel geluidsoverlast te beperken.
De last onder dwangsom werd opgelegd omdat de inrichting de voorschriften 3, 4 en 6 van de nadere eisen overtrad, welke onder meer voorschrijven dat muziekinstallaties voorzien moeten zijn van een verzegelde geluidbegrenzer die op een bepaald niveau is afgeregeld. Appellante voerde aan dat deze eisen onredelijk bezwarend zijn en dat het installeren van een geluidbegrenzer de exploitatie van haar pand onmogelijk maakt vanwege het cultuurhistorische karakter en de weigering van muzikanten om met een dergelijke installatie op te treden.
De Raad van State oordeelde dat de bezwaren tegen de nadere eisen zelf niet ter beoordeling stonden in deze procedure en dat verweerders niet in strijd met het recht hadden gehandeld door deze bezwaren buiten beschouwing te laten bij de heroverweging van de last onder dwangsom. Het akoestisch onderzoek toonde aan dat zonder geluidbegrenzer de geluidnormen overschreden worden, wat leidt tot ernstige overlast voor omwonenden. De Afdeling vond dat verweerders hun bevoegdheid in redelijkheid hadden uitgeoefend en dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij onevenredig in haar belangen werd geschaad.
Het beroep werd dan ook ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wegens overtreding van geluidbegrenzer-eisen wordt ongegrond verklaard.