200103850/1.
Datum uitspraak: 24 april 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 25 juni 2001 in het geding tussen:
burgemeester en wethouders van Alkmaar.
Bij besluit van 11 oktober 1999 hebben burgemeester en wethouders van Alkmaar (hierna: burgemeester en wethouders) het verzoek van appellant handhavend op te treden tegen het gebruik als woonruimte door [bewoner] van een deel van een bedrijfspand van appellant op het perceel [locatie] (hierna: het perceel) afgewezen.
Bij besluit van 6 maart 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 25 juni 2001, verzonden op die dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 oktober 2001. Deze brieven zijn aangehecht.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door J.A.A. Rosien, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Verder is als partij gehoord [bewoner], vertegenwoordigd door mr. O.H. Minjon, advocaat te Alkmaar.
2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Oud Overdie” is het perceel bestemd tot “Bedrijven (B)”. Niet in geschil is dat het gebruik van het pand op het perceel als woonruimte in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
2.2. Indien door een belanghebbende derde uitdrukkelijk is verzocht om op te treden tegen een illegale situatie, kan alleen in bijzondere gevallen van handhavend optreden worden afgezien.
2.3. Een dergelijk bijzonder geval kan worden aangenomen, indien concreet zicht bestaat op legalisering van de illegale situatie. Hiervan is in het voorliggende geval geen sprake. Burgemeester en wethouders hebben geen stappen ondernomen om de illegale situatie te legaliseren. Hun in de loop van de procedure uitgesproken bereidheid om met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening medewerking te verlenen aan een eventueel daartoe ingediend verzoek is onvoldoende om te oordelen dat sprake is van een concreet zicht op legalisering.
2.4. Voorts kan zich een bijzonder geval als hiervoor bedoeld voordoen indien door burgemeester en wethouders het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat van handhavend optreden zal worden afgezien.
De Afdeling ziet in dit geval onvoldoende grond om te oordelen, dat burgemeester en wethouders bij [bewoner] ter zake van haar met het bestemmingsplan “Oud Overdie” strijdige gebruik van het pand [locatie] een vertrouwen als hiervoor bedoeld hebben gewekt.
Burgemeester en wethouders hebben [bewoner] bij brief van 15 juni 1995 bericht niet te zullen meewerken aan het verlenen van een vergunning voor het verbouwen van het pand [locatie] tot woning en haar erop gewezen dat indien onverhoopt toch tot verbouwing c.q. bewoning van het pand zou worden overgegaan daartegen de mogelijkheid van bestuursdwang openstaat. [bewoner] heeft het pand niettemin, nadat het was opgeknapt, ter bewoning betrokken. Burgemeester en wethouders hebben terzake van die bewoning vervolgens niets ondernomen. De Afdeling moet echter mede op grond van het verhandelde ter zitting aannemen dat dit stilzitten niet voortvloeide uit een bewust gedogen van de met het bestemmingsplan strijdige situatie en ziet ook geen aanknopingspunt dat [bewoner] het gerechtvaardigd vertrouwen mocht hebben dat dit anders zou zijn.
2.5. De omstandigheid dat appellant, als eigenaar van het pand, destijds zelf een huurovereenkomst met [bewoner] heeft gesloten, kan evenmin leiden tot het oordeel dat sprake is van een bijzonder geval. Dit gegeven doet immers niets af aan de ten tijde van het besluit op bezwaar bestaande belangen van appellant, die zijn bedrijf ter plaatse voert. Op het gewicht van de belangen van [bewoner] heeft het bestaan van deze huurovereenkomst evenmin invloed.
2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 6 maart 2000 alsnog gegrond verklaren. Burgemeester en wethouders dienen met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
2.7. Burgemeester en wethouders dienen op de in het dictum aangegeven wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 25 juni 2001, AWB 00/610 GEMWT;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Alkmaar van 6 maart 2000;
V. draagt burgemeester en wethouders van Alkmaar op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;
VI. veroordeelt burgemeester en wethouders van Alkmaar in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1288,37, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Alkmaar te worden betaald aan appellant;
VII. gelast dat de gemeente Alkmaar aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 256,39) vergoedt;
Aldus vastgesteld door mr. H. Bekker, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2002