ECLI:NL:RVS:2002:AE1846

Raad van State

Datum uitspraak
24 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200105005/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • E.M.H. Hirsch Ballin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 HuisvestingsverordeningArt. 27 HuisvestingsverordeningArt. 30 HuisvestingsverordeningArt. 11 HuisvestingswetArt. 12 Huisvestingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing urgentieverklaring op grond van Huisvestingsverordening gemeente Oegstgeest

Appellant heeft bij burgemeester en wethouders van Oegstgeest een urgentieverklaring aangevraagd op grond van artikel 12, tweede lid, van de Huisvestingsverordening. Dit verzoek werd op 21 augustus 2000 afgewezen. Na bezwaar werd het besluit herroepen en opnieuw afgewezen met nadere motivering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde dat hij door de weigering materiële en immateriële schade leed en maakte bezwaar tegen de uitleg van het begrip “huidige woonruimte” en de toepassing van de verordening.

De Raad van State overwoog dat appellant inmiddels een andere woonruimte heeft gevonden, maar dat dit het procesbelang niet wegneemt. De Afdeling bevestigde dat burgemeester en wethouders in redelijkheid tot hun besluit konden komen. Het begrip “huidige woonruimte” moet worden uitgelegd als zelfstandige woonruimte, wat appellant niet heeft. De verordening bestrijkt de situatie en het beroep op artikel 30 faalt Pro. Ook de toepassing van de hardheidsclausule op grond van artikel 27 werd Pro verworpen vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden en het risico op ongewenste precedentwerking.

De Afdeling concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 24 april 2002 door de enkelvoudige kamer van de Raad van State.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200105005/1.
Datum uitspraak: 24 april 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 27 augustus 2001 in het geding tussen:
appellant
en
burgemeester en wethouders van Oegstgeest.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 augustus 2000 hebben burgemeester en wethouders van Oegstgeest (hierna: burgemeester en wethouders) de door appellant gevraagde urgentieverklaring als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Huisvestingsverordening van de Gemeente Oegstgeest (hierna: de verordening) afgewezen.
Bij besluit van 27 maart 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard, het besluit van 21 augustus 2000 ingetrokken (lees: herroepen) en het verzoek om een urgentieverklaring opnieuw afgewezen met inachtneming van de nadere motivering die in dit besluit is opgenomen. Dit besluit en het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 27 augustus 2001, verzonden op 28 augustus 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 december 2001. Deze brieven zijn aangehecht.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te Den Haag, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door
mr. F.D.M.M. Osinga, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ter zitting is gebleken dat appellant thans een andere woonruimte heeft gevonden. Door burgemeester en wethouders is betoogd dat appellant derhalve geen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn hoger beroep. Appellant stelt materiële en immateriële schade te hebben geleden door de weigering hem de gevraagde urgentieverklaring te verlenen en dus wel procesbelang te hebben. De Afdeling ziet gelet daarop in dit geval geen aanleiding om te oordelen dat appellant thans geen belang meer heeft bij een beoordeling van het hoger beroep en zal het hoger beroep dan ook inhoudelijk beoordelen.
2.2. Zoals de rechtbank terecht en op goede gronden heeft overwogen kan niet worden staande gehouden dat burgemeester en wethouders niet in redelijkheid de gevraagde urgentieverklaring hebben kunnen weigeren. In tegenstelling tot wat appellant betoogt, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het begrip “huidige woonruimte” in artikel 12, tweede lid, van de verordening, gelet op artikel 1, zesendertigste lid, van de verordening moet worden uitgelegd als zelfstandige woonruimte en dat appellant niet over dergelijke woonruimte beschikt, zodat de weigering in overeenstemming is met artikel 12, tweede lid, van de verordening. De uitleg van het begrip “huidige woonruimte” is niet in strijd met de artikelen 11 en 12 van de Huisvestingswet.
2.3. Ook heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat een situatie als hier aan de orde wordt bestreken door de verordening en dat daarom het beroep van appellant op artikel 30 daarvan Pro niet kan slagen.
2.4. Voorts meent appellant in aanmerking te kunnen komen voor de gevraagde urgentieverklaring op grond van artikel 27 van Pro de verordening. Burgemeester en wethouders hebben zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheden waarin appellant verkeert, daarvoor geen aanleiding geven en dat toepassing van de hardheidsclausule in dit geval zou kunnen leiden tot ongewenste precedentwerking ten aanzien van inwonende woningzoekenden. Niet is gebleken dat de afwijzing van de gevraagde urgentieverklaring in dit geval leidt tot een bijzondere hardheid op grond waarvan burgemeester en wethouders niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen.
2.5. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.
w.g. Hirsch Ballin w.g. Zwemstra
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2002
91-421.