ECLI:NL:RVS:2002:AE1827
Raad van State
- Hoger beroep
- P.J. Boukema
- H. Bekker
- W. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking vergunning bejaging meerkoeten wegens ontbreken belangrijke schade
De zaak betreft het hoger beroep van de Vereniging Wildbeheereenheid Waterland tegen de intrekking van een vergunning voor het bejagen van meerkoeten, verleend door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. De vergunning was verleend op grond van artikel 53 van Pro de Jachtwet, dat toestaat af te wijken van jachtvoorschriften om belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren te voorkomen.
De Minister had de vergunning ingetrokken omdat niet aannemelijk was dat er sprake was van dreigende belangrijke schade. De rechtbank had dit standpunt bevestigd en het beroep van appellante ongegrond verklaard. Appellante voerde aan dat zij meer gegevens had kunnen aanleveren en dat het verjagend effect van bejaging niet voldoende werd meegewogen.
De Raad van State oordeelde dat appellante inderdaad verplicht was om gegevens te verstrekken over de aard en omvang van de schade, en dat het enkele feit dat er in bejaagbare jaren schade was, niet voldoende is om aan te nemen dat zonder vergunning onaanvaardbare schade zal ontstaan. Het verjagend effect is erkend, maar kan pas worden ingezet als aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de vergunning tot bejaging van meerkoeten wordt bevestigd.