ECLI:NL:RVS:2002:AE1816

Raad van State

Datum uitspraak
24 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200100803/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkoop van levende dieren in strijd met bestemmingsplan voor tuincentra

In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 24 april 2002 uitspraak gedaan in hoger beroep over de verkoop van levende dieren in een tuincentrum. De burgemeester en wethouders van Deurne hadden de appellant gelast om de verkoop van diervoeders, dierbenodigdheden en levende dieren (met uitzondering van vissen voor de vijver) te staken, onder oplegging van een dwangsom. De appellant betwistte dat deze verkoop in strijd was met het bestemmingsplan, omdat het begrip 'tuincentrum' niet gedefinieerd was in de planvoorschriften. De appellant stelde dat de verkoop van levende dieren steeds gebruikelijker werd in tuincentra en dat dit dus niet in strijd kon zijn met het bestemmingsplan.

De Raad van State oordeelde echter dat, bij gebrek aan een duidelijke omschrijving van 'tuincentrum' in het bestemmingsplan, de vraag of de verkoop van levende dieren daaronder valt, beantwoord moest worden aan de hand van wat in het algemeen gangbaar is. De Afdeling concludeerde dat de verkoop van levende dieren niet zonder meer als een activiteit die direct verband houdt met een tuincentrum kan worden beschouwd. De exploitatie van een tuincentrum moet in de eerste plaats gericht zijn op de verkoop van artikelen die verband houden met tuininrichting en -onderhoud. Aangezien het bestemmingsplan geen ruimte bood voor de verkoop van levende dieren, was de beslissing van de burgemeester en wethouders terecht.

Het hoger beroep van de appellant werd ongegrond verklaard, en de eerdere uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch werd bevestigd. De Raad van State oordeelde dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

200100803/1.
Datum uitspraak: 24 april 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante]
tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te
's-Hertogenbosch van 14 december 2000 in het geding tussen:
appellante
en
burgemeester en wethouders van Deurne.
1. Procesverloop
Bij besluit van 23 maart 2000 hebben burgemeester en wethouders van Deurne (hierna: burgemeester en wethouders) appellante onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen twee maanden na dagtekening de verkoop van diervoeders (met uitzondering van grootverpakkingen van meer dan 10 kg,) dierbenodigdheden en levende dieren (anders dan vissen voor de vijver) te staken.
Bij besluit van 12 september 2000 hebben burgemeester en wethouders
a. de bezwaren voor zover betrekking hebbend op de verkoop van diervoeders en dierbenodigdheden gegrond verklaard en het besluit van 23 maart 2000 in zoverre ingetrokken;
b. de bezwaren voor zover betrekking hebbend op de verkoop van levende dieren ongegrond verklaard en het besluit van 23 maart 2000 in zoverre ongewijzigd gehandhaafd.
Dit besluit en het advies van de commissie voor bezwaar en beroep van 31 augustus 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 14 december 2000, verzonden op 3 januari 2001, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de president) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 12 februari 2001, bij de Raad van State ingekomen op 12 februari 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 april 2001. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 2 oktober 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. H.F.P. van Gastel, advocaat te Veldhoven, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door C.J.A. van den Heuvel, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “de Vennen” geldt ter plaatse de bestemming “tuincentrum”.
Ingevolge artikel 9, lid A, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor “tuincentrum” aangewezen gronden bestemd voor een tuincentrum met bedrijfswoning.
Ingevolge artikel 9, lid B (Beschrijving in hoofdlijnen) onder 1 wordt ter verwezenlijking van de onder lid A beschreven doeleinden het beleid gevoerd dat het bestaande tuincentrum wordt gehandhaafd en voorzien van een reële uitbreidingsmogelijkheid in relatie tot de huidige bedrijfsomvang en het veilig stellen van de bedrijfseconomische continuïteit, binnen de op de plankaart aangegeven maatvoering.
Ingevolge artikel 9, lid E onder 1 wordt onder verboden gebruik als bedoeld in artikel 6, lid A, ten minste verstaan het gebruik van opstallen voor, voor zover hier van belang:
1.2. detailhandel met uitzondering van goederen die ter plaatse worden vervaardigd, verwerkt en/of bewerkt en waarbij de verkoop inherent is aan de bedrijfsvoering en/of groothandel.
2.2. Appellante heeft betoogd dat artikel 9 van het bestemmingsplan een beperking naar branche geeft die niet toelaatbaar is. Aangezien van een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing geen sprake is is deze bepaling in strijd met artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de W.R.O.).
2.3. Dit betoog faalt. De ingevolge het bestemmingplan op het perceel rustende bestemming “tuincentrum” is onherroepelijk en staat hier niet ter beoordeling. De planvoorschriften bevatten geen onderscheid of beperking binnen deze bestemming, zodat reeds daarom van strijdigheid met artikel 10 van de W.R.O. geen sprake is. De vraag of beperkingen aan het assortiment mogen worden opgelegd valt derhalve samen met de uitleg van het begrip “tuincentrum”, die hierna aan de orde komt.
2.4. Appellante heeft voorts bestreden dat de verkoop van levende dieren anders dan vissen voor de vijver in strijd is met het bestemmingsplan. Nu het begrip tuincentrum in de planvoorschriften zelf niet is gedefinieerd moet, volgens appellante, een ruime uitleg aan dit begrip worden gegeven. Zij heeft er daarbij op gewezen dat de verkoop van levende dieren in toenemende mate deel uitmaakt van het assortiment van tuincentra en de verkoop ervan binnen deze branche inmiddels algemeen is aanvaard.
2.5. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de president terecht aangenomen dat, bij gebreke van een omschrijving in het bestemmingsplan van het begrip “tuincentrum”, de vraag of levende dieren anders dan vissen voor de vijver mogen worden gerekend tot het assortiment van een tuincentrum beantwoord dient te worden aan de hand van hetgeen in deze in het algemeen gangbaar kan worden geacht. Anders dan appellante meent kan de verkoop van levende dieren anders dan vissen voor de vijver niet zonder meer als rechtstreeks verband houdend met een tuincentrum worden aangemerkt. Voorop staat dat bij de exploitatie van een tuincentrum in het algemeen moet worden gedacht aan de verkoop van artikelen die in directe relatie staan tot tuininrichting en –onderhoud. Dat kan anders zijn in het geval de bestemmingsplanwetgever aan dit begrip een andere inhoud wenst te geven en dat in de voorschriften van het bestemmingsplan tot uitdrukking brengt.
Aangezien daarvan in dit geval geen sprake is hebben burgemeester en wethouders zich terecht op het standpunt gesteld dat de verkoop van levende dieren anders dan vissen voor de vijver in strijd is met het bestemmingsplan.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers?Taselaar, ambtenaar van Staat.
w.g. De Gooijer w.g. Wilbers-Taselaar
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2002
71.