ECLI:NL:RVS:2002:AE1102
Raad van State
- Hoger beroep
- B. van Wagtendonk
- M. Vlasblom
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid asielberoepen wegens onvoldoende bewijs gegronde vrees vervolging
De staatssecretaris van Justitie heeft op 4 november 2001 de asielaanvragen van twee vreemdelingen afgewezen. De president van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft deze besluiten op 15 november 2001 vernietigd en de beroepen gegrond verklaard. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
Tijdens de zitting op 7 januari 2002 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak vastgesteld dat de rechtbank onzorgvuldig is omgegaan met niet-overgelegde faxberichten die door de vreemdelingen waren getoond maar waarvan de inhoud en datum niet duidelijk waren vertaald. Hierdoor is onterecht rekening gehouden met deze stukken bij de beoordeling van het beroep. Tevens voldeed de uitspraak niet aan het vereiste van artikel 8:77, tweede lid, Awb, omdat niet is vermeld welke rechtsregel is geschonden.
De Afdeling oordeelt dat de vreemdelingen onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij gegronde vrees voor vervolging in Iran hebben. Er ontbreken concrete aanwijzingen van bijzondere negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart de beroepen ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en de beroepen van de vreemdelingen worden ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van gegronde vrees voor vervolging.