ECLI:NL:RVS:2002:AE0982

Raad van State

Datum uitspraak
3 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200101635/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • B. van Wagtendonk
  • M.G.J. Parkins-de Vin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:9 AwbArt. 8:29 AwbArt. 6 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep tegen weigering legalisatie geboortebewijs

Appellante verzocht legalisatie van een geboortebewijs en verklaring van ongehuwd-zijn, welke door de minister van Buitenlandse Zaken werd geweigerd. Na een ongegrondverklaring van bezwaar door de minister en van beroep door de rechtbank, stelde appellante hoger beroep in bij de Raad van State.

Appellante klaagde dat haar in bezwaar de volledige kennisneming van stukken over het verificatie-onderzoek was onthouden, waardoor zij haar zienswijze niet volledig kon geven. De Raad van State oordeelde dat appellante in beroep weliswaar slechts geanonimiseerde stukken kon inzien, maar dat dit geen onzorgvuldige besluitvorming opleverde. De beperking was gerechtvaardigd en het recht op een eerlijke procesvoering werd niet wezenlijk aangetast.

De Raad van State bevestigde dat de beperking van kennisneming conform artikel 8:29 Awb Pro met waarborgen is omkleed en dat het beroep ongegrond is. Er was geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200101635/1.
Datum uitspraak: 3 april 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats]
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 20 februari 2001 in het geding tussen:
appellante
en
de Minister van Buitenlandse Zaken.
1. Procesverloop
Bij besluit van 23 april 1999 is namens de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) appellante legalisatie geweigerd van een door haar overgelegd [nationaliteit] uittreksel uit het geboorteregister en een verklaring van ongehuwd-zijn.
Bij besluit van 27 maart 2000 heeft de minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 20 februari 2001, verzonden op 22 februari 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 28 juni 2001 heeft de minister van antwoord gediend. Daarbij heeft hij op de voet van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verzocht dat appellante geen kennis kan nemen van stukken of onderdelen daarvan die betrekking hebben op het door de Nederlandse Ambassade in [plaats] verrichte verificatie-onderzoek. Op 18 juli 2001 heeft de Afdeling in andere samenstelling beslist dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Bij brief van 25 juli 2001 heeft appellante toestemming, als bedoeld in het vijfde lid van artikel 8:29 van Pro de Awb, verleend. Zij heeft hierbij tevens de gronden van haar beroep nader aangevuld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2001, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. P.A. van Rhijn, ambtenaar van het ministerie, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellante stelt dat haar in bezwaar de kennisneming van een aantal stukken met betrekking tot het verificatie-onderzoek is onthouden. Dat is door de rechtbank weliswaar – ten dele – niet gerechtvaardigd geacht, doch zij heeft niet de mogelijkheid gehad haar visie op die stukken kenbaar te maken, op het moment dat dit voor de besluitvorming nog van belang kon zijn. De rechtbank heeft het beroep onder die omstandigheden, mede gelet op het bepaalde in artikel 7:9 van Pro de Awb, ten onrechte niet wegens onzorgvuldige besluitvorming gegrond verklaard, aldus appellante.
2.2. Dit betoog faalt. Dat de rechtbank heeft beslist dat de in bezwaar toegepaste beperking van de kennisneming slechts ten dele gerechtvaardigd was, betekent niet dat de rechtbank niet meer tot het oordeel kon komen dat het beroep ongegrond is. Appellante was in bezwaar door de minister op de hoogte gebracht van de resultaten van het verificatie-onderzoek.
Voorts heeft appellante in beroep van de desbetreffende stukken – zij het in geanonimiseerde vorm – kunnen kennisnemen en de gelegenheid gehad haar zienswijze daaromtrent naar voren te brengen. Dat appellante, door haar onbekendheid met de stukken in bezwaar, een kans heeft gemist een gunstiger beslissing, dan waartoe de minister is gekomen te verkrijgen, is niet gebleken.
2.3. Het betoog van appellante dat het haar onthouden van onbeperkte kennisneming van alle stukken bij de rechter in strijd is met artikel 6 van Pro het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) slaagt evenmin. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 juni 2000, no. 199901701/1, JV 2000/189), bevat artikel 6 van Pro het EVRM minimumnormen voor een eerlijke procesvoering, doch zijn deze normen niet absoluut. De nationale wetgever mag met het oog op een goede procesorde of ter bescherming van het publieke belang of van de belangen van derden, bepaalde procedurevoorschriften en beperkingen stellen, mits het eerlijke karakter van de procesvoering daarmee niet in zijn essentie wordt aangetast. De beperkingsmogelijkheid van artikel 8:29 van Pro de Awb is, zoals de Afdeling in genoemde uitspraak eveneens heeft overwogen, met zodanige waarborgen omkleed, dat het recht op een eerlijke procesvoering daarmee niet in essentie wordt beperkt.
2.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H.C.A. Muller, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Muller
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2002
242/397.