ECLI:NL:RVS:2002:AE0977
Raad van State
- Hoger beroep
- E.M.H. Hirsch Ballin
- W. van den Brink
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit intrekking toewijzing woonruimte door burgemeester en wethouders Amsterdam
Appellant ontving op 14 oktober 1999 een brief van de directeur van de Stedelijke Woningdienst Amsterdam waarin werd meegedeeld dat hem geen andere woonruimte meer zou worden aangeboden. Dit werd opgevat als een besluit tot intrekking van de toewijzing van een woning uit de gemeentelijke woonruimtevoorraad. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door burgemeester en wethouders op 14 maart 2000 ongegrond werd verklaard.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het daarop ingestelde beroep van appellant ongegrond bij uitspraak van 11 januari 2001. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State. De kern van het geschil betrof de vraag of appellant de toegewezen woning daadwerkelijk had geweigerd op het moment van intrekking.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de brief van 14 oktober 1999 een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bevatte, waarmee de rechtsverhouding tussen appellant en burgemeester en wethouders werd gewijzigd. De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat burgemeester en wethouders terecht konden concluderen dat appellant de woning had geweigerd en dat appellant voldoende was geïnformeerd over de gevolgen van deze weigering.
Er waren geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van de richtlijnen rechtvaardigden. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de toewijzing van woonruimte wordt bevestigd.