ECLI:NL:RVS:2002:AE0969

Raad van State

Datum uitspraak
3 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200103949/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • S. Zwemstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.6.1 Huisvestingsverordening Rotterdam 1999
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens intrekking belang bij urgentieverklaring

Appellant had beroep ingesteld tegen het besluit van burgemeester en wethouders van Rotterdam om geen urgentieverklaring toe te kennen. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de arrondissementsrechtbank die het beroep ongegrond verklaarde, stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State.

Tijdens de zitting bleek dat appellant inmiddels alsnog urgent is verklaard conform artikel 2.6.1 van de Huisvestingsverordening Rotterdam 1999. Hierdoor is het belang bij het hoger beroep komen te vervallen.

De Raad van State oordeelde dat het ontbreken van belang leidt tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer op 3 april 2002.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang.

Uitspraak

200103949/1.
Datum uitspraak: 3 april 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 2 juli 2001 in het geding tussen:
appellant
en
burgemeester en wethouders van Rotterdam.
1. Procesverloop
Bij besluit van 18 november 1998 hebben burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: burgemeester en wethouders) besloten dat appellant niet in aanmerking komt voor de gevraagde urgentieverklaring.
Bij besluit van 11 augustus 1999 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 2 juli 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 augustus 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 augustus 2001. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 8 november 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2002, waar appellant in persoon, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door H.G. Elmendorp, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ter zitting is gebleken dat appellant inmiddels urgent is verklaard als bedoeld in artikel 2.6.1. van de Huisvestingsverordening Rotterdam 1999. Appellant heeft gelet daarop geen belang meer bij een beoordeling van het hoger beroep.
2.2. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.
w.g. Hirsch Ballin w.g. Zwemstra
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2002
91-421.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,