ECLI:NL:RVS:2002:AE0966
Raad van State
- Hoger beroep
- E.M.H. Hirsch Ballin
- S. Zwemstra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing voorrangsverklaring woning Amsterdam wegens ontbreken noodsituatie
Appellant verzocht burgemeester en wethouders van Amsterdam om een voorrangsverklaring voor woningtoewijzing op grond van ernstige sociale omstandigheden. Dit verzoek werd op 30 mei 2000 afgewezen en het bezwaar daarop ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat appellant met een woonduur vanaf 28 september 1995 niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet in staat was om op eigen kracht een grotere woonruimte te vinden, en er geen sprake was van een noodsituatie.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat een medische indicatie onvoldoende in aanmerking was genomen. De Raad van State oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat bij de aanvraag een medische verklaring was overgelegd; de overgelegde medische verklaring dateerde van 28 februari 2001, na het bestreden besluit. Hierdoor konden burgemeester en wethouders hier geen rekening mee houden.
De Raad van State concludeerde dat burgemeester en wethouders in redelijkheid tot de afwijzing van de aanvraag hebben kunnen komen en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de voorrangsverklaring bevestigd.