ECLI:NL:RVS:2002:AE0943
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake toevoeging rechtsbijstand ondanks onjuiste huwelijksgemeenschap
Verzoeker heeft een aanvraag tot toevoeging van rechtsbijstand ingediend bij de raad voor rechtsbijstand, die deze aanvraag heeft afgewezen op grond van de veronderstelling dat verzoeker in gemeenschap van goederen was gehuwd. Verzoeker had echter op het aanvraagformulier aangegeven niet in gemeenschap van goederen te zijn gehuwd. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker gegrond en vernietigde het besluit, maar hield de rechtsgevolgen in stand.
De raad voor rechtsbijstand stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, waarbij het hoger beroep zich richtte op de overwegingen van de rechtbank omtrent de huwelijksgemeenschap. De Raad van State oordeelde dat de raad onvoldoende zorgvuldig had onderzocht of verzoeker in gemeenschap van goederen was gehuwd, waardoor het besluit een deugdelijke feitelijke grondslag ontbeerde.
De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank, met een verbetering van de gronden, en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 3 april 2002.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.