ECLI:NL:RVS:2002:AD9813
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H.B. van der Meer
- J. de Koning
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over ontvankelijkheid bezwaar tegen kamerverhuurvergunning
Burgemeester en wethouders van Eindhoven verleenden op 23 maart 1999 een kamerverhuurvergunning aan appellant. De bekendmaking van dit besluit vond plaats door toezending aan appellant op 29 maart 1999. Daarnaast werd het besluit onverplicht gepubliceerd in een huis-aan-huisblad op 8 april 1999.
C, een omwonende die overlast ondervond van kamerverhuurbedrijven, diende op 19 mei 1999 een bezwaarschrift in tegen de vergunning. De rechtbank verklaarde dit bezwaar ontvankelijk en wees het beroep van appellant af. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de publicatie in het huis-aan-huisblad geen geldige bekendmaking was volgens artikel 3:42 Awb Pro, omdat artikel 3:41 Awb Pro rechtstreekse toezending voorschrijft bij besluiten gericht aan belanghebbenden. De bezwaartermijn van zes weken begon daarom op 30 maart 1999 en eindigde op 10 mei 1999. Het bezwaar van C werd te laat ingediend en is niet verschoonbaar.
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 3 januari 2000, en verklaart het bezwaar van C niet-ontvankelijk. Tevens wordt het door appellant betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het bezwaar van C is niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.