Uitspraak
Datum uitspraak: 26 juni 2001
BESTUURSRECHTSPRAAK
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Raad van State
Appellant had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de Staatssecretaris van Justitie op 7 mei 2001 werd afgewezen. Hiertegen stelde appellant beroep in bij de arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, die het beroep op 23 mei 2001 ongegrond verklaarde. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling beoordeelde het hoger beroep zonder zitting en stelde vast dat het beroepschrift niet altijd duidelijk maakte tegen welk onderdeel van de uitspraak het gericht was. Desondanks voldeed het beroepschrift aan de formele vereisten van artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, zodat het hoger beroep ontvankelijk werd verklaard.
Echter stelde het beroepschrift geen rechtsvragen aan de orde die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin. De aangevoerde grieven konden niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Gezien het bepaalde in artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, beperkte de Afdeling zich tot dit oordeel.
Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien tot een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.