ECLI:NL:RVS:2001:AF6032

Raad van State

Datum uitspraak
1 oktober 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200104396/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering verblijfsvergunning asiel

Verzoekster heeft een herhaalde aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de Staatssecretaris van Justitie op 3 augustus 2001 is afgewezen. De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage verklaarde het daarop ingestelde beroep op 20 augustus 2001 ongegrond. Verzoekster stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om haar uitzetting te voorkomen gedurende de behandeling van dit hoger beroep.

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat het hoger beroep op korte termijn zal worden behandeld en dat er geen zodanig spoedeisend belang is gebleken dat de uitspraak van de Afdeling niet kan worden afgewacht. Daarom is er geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Het verzoek werd dan ook als kennelijk ongegrond afgewezen. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan op 1 oktober 2001 door de Voorzitter in aanwezigheid van een ambtenaar van Staat.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
200104396/2.
Datum uitspraak: 1 oktober 2001
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[vreemdelinge],
[verzoekster],
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 20 augustus 2001 in het geding tussen:
[verzoekster]
en
de Staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 augustus 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie een herhaalde aanvraag van [verzoekster] om haar een verblijfsvergunning asiel te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 20 augustus 2001, verzonden op 27 augustus 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage het daartegen door [verzoekster] ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] bij faxbericht, bij de Raad van State binnengekomen op 3 september 2001, hoger beroep ingesteld, onderscheidenlijk de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2. Overwegingen
2.1. Met het verzoek beoogt [verzoekster] haar uitzetting gedurende de behandeling van het hoger beroep te voorkomen. Reeds omdat de Afdeling het beroep op korte termijn zal behandelen en niet is gebleken van een zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak van de Afdeling onder die omstandigheden niet kan worden afgewacht, bestaat geen grond voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
2.2. Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Rechtdoende in naam der Koningin:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.
w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Groeneweg
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2001
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift
de Secretaris van de Raad van State
voor deze,