ECLI:NL:RVS:2001:AE7129

Raad van State

Datum uitspraak
2 juli 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200102619/1+2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:86 AwbArt. 43 Vw 2000Art. 71 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel en afwijzing voorlopige voorziening

Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de Staatssecretaris van Justitie op 22 april 2001 is afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing op 16 mei 2001 ongegrond. Hiertegen stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat nader onderzoek niet noodzakelijk was en dat de zaak direct kon worden behandeld. Appellant voerde aan dat de Staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom geen besluitmoratorium was ingesteld op grond van artikel 43 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, maar deze grief werd verworpen omdat er geen besluit tot toepassing of niet-toepassing van artikel 43 was Pro genomen.

Verder stelde het hoger beroep geen rechtsvragen aan de orde die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom werd het hoger beroep als kennelijk ongegrond verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Tevens werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

Raad
van State
200102619/1+2.
Datum uitspraak: 2 juli 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 en Pro artikel 8:83, derde lid, van die wet, gelezen in samenhang met artikel 92 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 16 mei 2001 in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 april 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie ( hierna: de Staatssecretaris) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen afgewezen.
Bij uitspraak van 16 mei 2001, verzonden op die dag, heeft de arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 mei 2001, bij de Raad van State binnengekomen op 25 mei 2001, hoger beroep ingesteld, onderscheidenlijk de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij een op 7 juni 2001 bij de Raad van State binnengekomen brief heeft de Staatssecretaris een reactie ingediend.
2. Overwegingen
2.1. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 92 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.2. Ingevolge artikel 91, eerste lid, van de Vw 2000 kan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich bij haar uitspraak beperken tot een beoordeling van de aangevoerde grieven.
Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan zij zich, indien zij oordeelt dat een aangevoerde grief niet tot vernietiging kan leiden, bij de vermelding van de gronden van haar uitspraak beperken tot dit oordeel.
2.3. In de geschiedenis van de totstandkoming van de Vw 2000, meer in het bijzonder van haar artikelen 85 en 91 - gewezen wordt op de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 9-12 - is te lezen dat is gekozen voor een beperkte vorm van hoger beroep die de Afdeling in staat stelt om grote aantallen zaken, waarin geen vragen spelen die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, op snelle en doelmatige wijze af te doen. De gewone behandeling wordt gereserveerd voor zaken waarin dergelijke vragen wel zijn gerezen.
2.4. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank onvoldoende informatie ter beschikking stond om te kunnen oordelen dat de algemene situatie in Guinee onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de Staatssecretaris gebruik had dienen te maken van zijn bevoegdheid tot het instellen van een besluitmoratorium als bedoeld in artikel 43, aanhef en onder a, van de Vw 2000, althans dat de Staatssecretaris in ieder geval gemotiveerd had moeten aangeven waarom in deze situatie wordt afgezien van het instellen van een besluitmoratorium.
2.4.1. Deze grief faalt. Aan de onderhavige procedure ligt de aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen ten grondslag, welke aanvraag heeft geleid tot het hiervoor onder het procesverloop genoemde besluit van de Staatssecretaris van 22 april 2001.
Eerst in het beroepschrift bij de rechtbank heeft appellant als aanvullende beroepsgrond de Staatssecretaris verweten dat hij, en zulks ongemotiveerd, niet van zijn bevoegdheid tot het instellen van een besluitmoratorium als bedoeld in artikel 43, aanhef en onder a, Vw 2000 gebruik heeft gemaakt.
De Afdeling stelt vast dat van enig besluit van de Staatssecretaris tot toepassing van artikel 43, waartegen overigens een belanghebbende het in artikel 71, vijfde lid, van de Vw2000 genoemde rechtsmiddel kan aanwenden, dan wel een besluit om dit artikel niet toe te passen in deze procedure geen sprake is. De rechtbank heeft dan ook op zich terecht geconcludeerd dat de in beroep aangevoerde grond niet tot vernietiging van het besluit van 22 april 2001 kan leiden.
2.5. Het hoger beroepschrift stelt verder geen rechtsvragen aan de orde die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven. Hetgeen daarin is aangevoerd kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Met dat oordeel kan, gelet op het in artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000 worden volstaan.
2.6. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als Voorzitter,
in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.
w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Groeneweg
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2001
32-362.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift
de Secretaris van de Raad van State
voor deze,