ECLI:NL:RVS:2001:AE7127
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- M.G.J. Parkins-de Vin
- R.W. Mackenzie
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting tijdens hoger beroep verblijfsvergunning
Verzoeker heeft bij de Staatssecretaris van Justitie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning, welke op 24 mei 2001 is afgewezen. Tegen deze afwijzing heeft verzoeker beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, maar dit beroep is op 7 juni 2001 ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft vervolgens bij de Raad van State hoger beroep ingesteld en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om zijn uitzetting te voorkomen gedurende de behandeling van het hoger beroep. De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft beoordeeld dat het niet op voorhand buiten twijfel ligt dat de aangevallen uitspraak in stand zal blijven en dat er sprake is van een spoedeisend belang.
Op grond daarvan is het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk gegrond toegewezen, waardoor verzoeker de beslissing op het hoger beroep in Nederland mag afwachten. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 27 juni 2001.
Uitkomst: Verzoeker mag zijn hoger beroep in Nederland afwachten en wordt niet uitgezet tijdens de procedure.