Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2001:AE1471

Raad van State

Datum uitspraak
19 december 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200100363/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.5.12 Bouwverordening gemeente HeusdenArt. 44 WoningwetArt. 8:72, vierde lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering bouwvergunning wegens strijd met bestemmingsplan agrarisch gebied

Burgemeester en wethouders van Heusden weigerden een bouwvergunning voor het oprichten van een tweede woning achter een bestaande woning op een perceel waar deels een bestemmingsplan "Buitengebied" met de bestemming "Agrarisch gebied" geldt. De rechtbank had aanvankelijk geoordeeld dat er geen bestemmingsplan van toepassing was en verklaarde het beroep van de aanvrager gegrond.

Na heroverweging kwamen burgemeester en wethouders tot de conclusie dat het bestemmingsplan wel van toepassing is op een deel van het perceel en dat het bouwplan in strijd is met de voorschriften die alleen agrarische bouwwerken toestaan binnen het agrarisch bouwvlak. De Raad van State oordeelt dat de toetsing aan het bestemmingsplan niet achterwege mag blijven en vernietigt het vonnis van de rechtbank.

De Raad van State verklaart het hoger beroep van burgemeester en wethouders gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de aanvrager ongegrond. De bouwvergunning is terecht geweigerd wegens strijdigheid met het bestemmingsplan. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De bouwvergunning is terecht geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan agrarisch gebied.

Uitspraak

Raad
van State
200100363/1.
Datum uitspraak: 19 december 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
burgemeester en wethouders van Heusden,
appellanten,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 8 december 2000 in het geding tussen:
[aanvrager], wonend te [woonplaats]
en
appellanten.
1. Procesverloop
Bij besluit van 17 maart 1998 hebben appellanten (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd [aanvrager] (hierna: [aanvrager]) bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een tweede woonhuis op het perceel [adres] te [woonplaats].
Bij besluit van 12 januari 1999 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door [aanvrager] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 januari 2000 heeft de arrondissementsrechtbank te ‘s-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [aanvrager] ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.
Bij besluit van 2 mei 2000 hebben burgemeester en wethouders het tegen het besluit van 17 maart 1998 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het bestreden besluit herroepen en de gevraagde bouwvergunning wederom geweigerd. Dit besluit en het advies van de commissie van advies voor bezwaar- en beroepschriften van 21 maart 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 8 december 2000, verzonden op 15 december 2000, heeft de rechtbank het daartegen door [aanvrager] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat burgemeester en wethouders een nieuw besluit dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben burgemeester en wethouders bij brief van 16 januari 2001, bij de Raad van State ingekomen op 22 januari 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 februari 2001. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 5 september 2001 heeft [aanvrager] een memorie ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2001, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. G.C. Kooijman, advocaat te 's?Hertogenbosch, en mr. E.J.M. Rietveld, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [aanvrager], bijgestaan door drs.[…].
2. Overwegingen
2.1. Burgemeester en wethouders betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat tussen partijen vaststaat dat ter plaatse geen bestemmingsplan geldt en dat, nu burgemeester en wethouders hebben nagelaten hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechtbank van 5 januari 2000, zij bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar de bouwvergunning niet wegens strijd met het bestemmingsplan konden weigeren.
2.2. Het bouwplan behelst het oprichten van een woning achter een bestaande woning. Burgemeester en wethouders hebben de bouwvergunning bij het primaire besluit wegens strijd met artikel 2.5.12 van de Bouwverordening van de gemeente Heusden geweigerd. Ingevolge dit artikel is het verboden bouwvergunningplichtige bouwwerken te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn.
Tussen partijen was aanvankelijk niet in geschil dat ter plaatse geen bestemmingsplan gold. De rechtbank heeft dit in haar uitspraak van 5 januari 2000 op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting ook als uitgangspunt genomen.
Burgemeester en wethouders zijn bij hun heroverweging voor de nieuw te nemen beslissing op bezwaar evenwel tot de conclusie gekomen dat voor een gedeelte van de gronden waarop het bouwplan is gelokaliseerd, wel een bestemmingsplan geldt. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat burgemeester en wethouders niet meer konden afwijken van het in de uitspraak van 5 januari 2000 neergelegde uitgangspunt dat ter plaatse geen bestemmingsplan geldt.
2.3. Op grond van de ter zitting overgelegde stukken moet worden vastgesteld dat voor een gedeelte van de gronden waarop de woning is geprojecteerd, het bestemmingsplan “Buitengebied” geldt. Ingevolge dit bestemmingsplan rust op die gronden de bestemming “Agrarisch gebied”. In het bestemmingsplan “Buitengebied - 1e partiële herziening 1992” zijn terzake voorschriften opgenomen. Ingevolge artikel 5, lid A, onder 1, van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan zijn gronden met de bestemming “Agrarisch gebied” bestemd voor agrarische doeleinden en voor behoud, herstel en/of versterking van de ruimtelijke en functionele karakteristiek. Ingevolge lid C, onder 1, van deze bepaling, voor zover hier van belang, mogen op deze gronden binnen de aanduiding “Agrarisch bouwvlak” uitsluitend bouwwerken ten behoeve van een agrarisch bedrijf worden gebouwd. Vastgesteld moet worden dat het bouwplan hiermee in strijd is.
2.4. Mede gelet op het dwingendrechtelijk karakter van artikel 44 van Pro de Woningwet kan, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de toetsing van het bouwplan aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet achterwege blijven. Artikel 8:72, vierde lid, van de Awb kan er niet toe strekken dat bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar voorbij kan worden gegaan aan de gelding van een bestemmingsplan. Dat de rechtbank in haar uitspraak van 5 januari 2000 heeft overwogen dat geen bestemmingsplan geldt en dat dit tussen partijen vaststaat, kan - wat daar ook van zij - daar niet aan afdoen. Overigens wordt het dictum van de uitspraak van de rechtbank van 5 januari 2000 niet gedragen door de overweging die betrekking heeft op het al dan niet gelden van een bestemmingsplan.
Gelet op vorenstaande treft het betoog van burgemeester en wethouders doel.
2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.
2.6. Nu het bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan hebben burgemeester en wethouders de bouwvergunning terecht wegens die strijdigheid geweigerd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, dient het door [aanvrager] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond te worden verklaard.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 8 december 2000, AWB 00/4386 WOW44;
III. verklaart het door [aanvrager] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Langeveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Zwart w.g. Langeveld
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2001
251-378.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,