ECLI:NL:RVS:2001:AD9276

Raad van State

Datum uitspraak
22 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200105085/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • B. van Wagtendonk
  • M.G.J. Parkins-de Vin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 85 Vw 2000Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 AwbArtikel 13 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van hoger beroep tegen vreemdelingenbewaring en toetsing strafrechtelijk voortraject

Appellant is op 18 september 2001 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze bewaring op 4 oktober 2001 ongegrond. Appellant stelde hiertegen hoger beroep bij de Raad van State.

De grief van appellant betrof de stelling dat de vreemdelingenrechter het strafrechtelijk voortraject marginaal moet toetsen, omdat er geen effectief rechtsmiddel bestaat tegen strafrechtelijke aanhouding en ophouding, zoals bedoeld in artikel 13 EVRM Pro. De Raad van State overweegt dat de vreemdelingenrechter slechts bevoegd is de vrijheidsontneming op grond van de Vreemdelingenwet 2000 te beoordelen en niet de rechtmatigheid van het strafrechtelijk voortraject.

De Raad van State bevestigt de jurisprudentie dat artikel 13 EVRM Pro geen directe toepassing vindt in vreemdelingenzaken die een ruimere toetsing aan het strafrechtelijk voortraject zou rechtvaardigen. Omdat appellant geen nieuwe grieven aanvoert, wordt het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

Raad van State 200105085/1.
Datum uitspraak: 22 november 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 4 oktober 2001 in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 18 september 2001 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 4 oktober 2001, verzonden op 8 oktober 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen (hierna: de rechtbank), het met een kennisgeving vanwege de Staatssecretaris van Justitie daartegen aanhangig gemaakte beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 15 oktober 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 23 oktober 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie een reactie ingediend. Daarop heeft appellant bij brief van 24 oktober 2001 gereageerd.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bevat het hoger-beroepschrift in aanvulling op de in artikel 6:5, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gestelde eisen, één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank of de president van de rechtbank.
Ingevolge het tweede lid van dat artikel omschrijft een grief het onderdeel van de uitspraak waarmee de indiener zich niet kan verenigen, alsmede de gronden waarop de indiener zich daarmee niet kan verenigen.
Ingevolge het derde lid wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, indien niet is voldaan aan het eerste of tweede lid, aan artikel 6:5 van Pro de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het hoger beroep. Artikel 6:6 van Pro de Awb is niet van toepassing.
2.2. De enige grief strekt ten betoge dat de rechtbank ten onrechte de jurisprudentie van de Afdeling inzake het niet toetsen van het strafrechtelijk voortraject heeft gevolgd, omdat uit artikel 13 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) voortvloeit dat, nu tegen de strafrechtelijke aanhouding en ophouding geen daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van die bepaling voorhanden is, in geval van bewaring de vreemdelingenrechter het strafrechtelijk voortraject marginaal moet toetsen.
2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 25 oktober 2001, in zaak no. 200105040/1, ter voorlichting van partijen in afschrift aangehecht) is het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden. De bevoegdheid van de bijzondere rechter in vreemdelingenzaken is beperkt tot de beoordeling van op die wet gebaseerde vrijheidsontneming. Die wet biedt hem geen ruimte om zich een oordeel te vormen over de rechtmatigheid van aan de bewaring voorafgaande aanwending van strafvorderlijke bevoegdheden. Daartoe kan men zich wenden tot de ter zake van die aanwending bevoegde rechter of tot een rechter met algemene bevoegdheid.
2.4. De rechtbank heeft deze jurisprudentie terecht gevolgd. Artikel 13 van Pro het EVRM houdt geen voor rechtstreekse toepassing door de rechter in vreemdelingenzaken vatbare bepaling in, waarbij aan hem een verderstrekkende of meeromvattende rechtsmacht wordt verleend, dan de nationale wet hem toekent. De grief faalt.
2.5. Hetgeen overigens in het hoger-beroepschrift is aangevoerd, is louter een herhaling van een bij de rechtbank aangevoerde grond, waarop de rechtbank heeft beslist. Mitsdien is geen sprake van een grief in de zin van voormeld artikel 85, tweede lid, van de Vw 2000. Daarom is niet voldaan aan het bepaalde in het eerste lid van dat artikel.
2.6. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Glerum
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2001
273-347.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,