ECLI:NL:RVS:2001:AD9275
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding beroepstermijn in vreemdelingenbewaring
Appellant werd op 22 augustus 2001 in vreemdelingenbewaring gesteld. De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage verklaarde het door appellant ingestelde beroep op 6 september 2001 ongegrond. De uitspraak werd op dezelfde dag verzonden, waarna de termijn voor het instellen van hoger beroep op 7 september 2001 begon en eindigde op 13 september 2001.
Appellant diende het hoger beroep echter pas op 14 september 2001 in, per fax ontvangen door de Raad van State. De Raad van State oordeelde dat appellant niet binnen de wettelijke termijn had gehandeld en dat er geen omstandigheden waren die het verzuim konden rechtvaardigen. Het betoog dat de termijn pas zou beginnen na persoonlijke uitreiking van de uitspraak faalde, aangezien de kennisgeving rechtsgeldig per post was verzonden.
De Raad van State wees het hoger beroep daarom af als kennelijk niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 18 oktober 2001 in het openbaar uitgesproken door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.