ECLI:NL:RVS:2001:AD8696
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- E.A. Alkema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van rechtmatigheid voortzetting vreemdelingenbewaring ondanks ontbreken IND-toestemming
Appellant werd op 25 augustus 2001 in vreemdelingenbewaring gesteld en vroeg op 27 augustus 2001 een verblijfsvergunning asiel aan. De bewaring werd vervolgens voortgezet na categoriewijziging. Appellant stelde dat het ontbreken van voorafgaande toestemming van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de bewaring onrechtmatig maakte.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het ontbreken van de IND-toestemming niet automatisch onrechtmatigheid veroorzaakt, tenzij de belangenafweging niet in redelijke verhouding staat tot het gebrek. In dit geval was aan alle wettelijke vereisten voldaan en was de voortzetting van de bewaring bevoegd genomen.
De Raad van State benadrukt dat de wet niet verbiedt een vreemdeling in bewaring te stellen voordat de IND toestemming heeft verleend, en dat het belang van de openbare orde de voortzetting van de bewaring rechtvaardigt. Het hoger beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De voortzetting van de vreemdelingenbewaring is rechtmatig ondanks het ontbreken van voorafgaande IND-toestemming.