ECLI:NL:RVS:2001:AD8687
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- M. Vlasblom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na toepassing Dublin-overeenkomst
Appellant heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in Nederland ingediend, die door de Staatssecretaris van Justitie is afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat Nederland toch verantwoordelijk zou moeten zijn voor de behandeling van zijn asielverzoek, mede omdat hij afhankelijk is van familie in Nederland en Duitsland mogelijk niet voldoende bescherming biedt.
De Raad van State overweegt dat op grond van artikel 8 van Pro de Overeenkomst van Dublin Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, omdat appellant daar het verzoek als eerste heeft ingediend. De keuze van appellant om illegaal de grens te passeren en vervolgens asiel aan te vragen in Duitsland brengt de gevolgen daarvan voor zijn rekening.
Daarnaast oordeelt de Raad dat de grief over de eigen verantwoordelijkheid van Nederland op grond van artikel 3, vierde lid, van de Dublin-overeenkomst niet in beroep bij de rechtbank is aangevoerd en daarom niet kan worden meegenomen. Het hoger beroep wordt dan ook als kennelijk ongegrond verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel en verklaart het hoger beroep ongegrond.