ECLI:NL:RVS:2001:AD7069

Raad van State

Datum uitspraak
28 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200101730/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C. de Gooijer
  • J.H.C.A. Muller
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 WrbArt. 14 WrbArt. 15 WrbArt. 16 Wrb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging deskundigheidseisen voor advocaten in asiel- en vluchtelingenrecht

Appellanten verzochten om toevoegingen voor rechtsbijstand door een advocaat die niet als zodanig was ingeschreven voor het asiel- en vluchtelingenrecht. De raad voor rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch wees deze verzoeken af omdat de advocaat niet voldeed aan de deskundigheidseisen die op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) gesteld mogen worden.

De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond en bevestigde dat artikel 13.1.a Wrb de verlening van de gevraagde toevoegingen in de weg stond. Appellanten voerden aan dat er geen aparte deskundigheidseisen voor het asiel- en vluchtelingenrecht zouden moeten gelden, maar de Raad van State oordeelde dat de wetgever de raden voor rechtsbijstand een ruime keuzevrijheid heeft gegeven om dergelijke voorwaarden te stellen.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde de eerdere uitspraken en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak benadrukt het belang van deskundigheidseisen bij de verlening van rechtsbijstand in gespecialiseerde rechtsgebieden zoals het asiel- en vluchtelingenrecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van toevoegingen voor een niet-ingeschreven advocaat wordt bevestigd.

Uitspraak

Raad
van State
200101730/1.
Datum uitspraak: 28 november 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
A en B, verblijvend te C,
appellanten,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 26 januari 2001 in het geding tussen:
appellanten
en
de raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch.
1. Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 29 juni 1999 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch (hierna: het bureau) verzoeken van appellanten om een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) afgewezen.
Bij onderscheiden besluiten van 25 oktober 1999 heeft de raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch (hierna: de raad) de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze besluiten en de adviezen van de commissie voor bezwaar en beroep van 13 oktober 1999, waarnaar in de besluiten wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 26 januari 2001, verzonden op 5 februari 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten per faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij faxbericht van 7 juni 2001. Deze faxberichten zijn aangehecht.
Bij brief van 3 juli 2001 heeft de raad een memorie van antwoord ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2001, waar de raad, vertegenwoordigd door R. van Dijken is verschenen. Appellanten zijn niet verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) wordt rechtsbijstand verleend door advocaten die door de raad zijn ingeschreven.
Ingevolge artikel 14 van Pro de Wrb kunnen advocaten op hun verzoek worden ingeschreven indien zij voldoen aan de in artikel 15 van Pro de Wrb bedoelde voorwaarden.
Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb kunnen de door de raad te stellen voorwaarden betrekking hebben op de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsgebieden.
Ingevolge artikel 16 van Pro de Wrb kan de raad in bijzondere gevallen beslissen dat rechtsbijstand zal worden verleend door een niet ingeschreven advocaat. Als bijzonder geval kan worden aangemerkt:
a. de uitdrukkelijke en gemotiveerde wens van de rechtzoekende, door een bepaalde advocaat te worden bijgestaan;
b. de behoefte aan bijstand door een advocaat die over specifieke deskundigheid op een bepaald rechtsgebied beschikt.
2.2. Appellanten hebben verzocht om toevoegingen af te geven voor het verlenen van rechtsbijstand door mr. J.J. M. Boot, advocaat te Steenbergen, ter zake van bezwaarprocedures en verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening naar aanleiding van afgewezen asielaanvragen.
2.3. De rechtbank heeft in het door appellanten aangevoerde terecht geen grond gevonden voor de conclusie dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wrb in de weg stond aan verlening van de gevraagde toevoegingen. Mr. J.J.M. Boot stond niet als advocaat op het gebied van het asiel- en vluchtelingenrecht bij de raad ingeschreven en hij voldeed ook niet aan de door de raad op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb gestelde deskundigheidseisen om alsnog voor zodanige inschrijving in aanmerking te kunnen komen. Voorzover appellanten van mening zijn dat voor het asiel- en vluchtelingenrecht geen (aparte) deskundigheidseisen zouden moeten worden gesteld, wordt overwogen dat het de bedoeling van de wetgever is geweest de raden voor rechtsbijstand een ruime mate van keuzevrijheid te laten om de inschrijvingsvoorwaarden te formuleren.
Door op het terrein van het asiel- en vluchtelingenrecht specifieke deskundigheidseisen te stellen heeft de raad de grenzen van die keuzevrijheid niet overschreden.
2.4. Appellanten hebben voorts aangevoerd dat zij het uit financieel en praktisch oogpunt wenselijk achten gebruik te maken van een advocaat te Steenbergen. Dat is geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 16 van Pro de Wrb. Ook overigens hebben appellanten hun keuze voor mr. J.J.M. Boot als advocaat niet gemotiveerd. De rechtbank heeft derhalve in het door appellanten aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de raad in redelijkheid niet heeft kunnen nalaten om toepassing te geven aan artikel 16 van Pro de Wrb.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.C.A. Muller, ambtenaar van Staat.
w.g. Gooijer w.g. Muller
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2001
242-364.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,