ECLI:NL:RVS:2001:AD6829
Raad van State
- Hoger beroep
- C. de Gooijer
- J.H.C.A. Muller
- Rechtspraak.nl
Geen belanghebbende bij besluit aanwijzing zaak als bewerkelijk in rechtsbijstand
In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om de vraag of appellant sub 1 als cliënt belanghebbende is bij een besluit waarbij zijn zaak als bewerkelijk wordt aangemerkt in de zin van artikel 19 van Pro het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 1994 (Bvr). Het bureau rechtsbijstandvoorziening heeft het verzoek van appellant sub 2, advocaat van appellant sub 1, ingewilligd om 80 uur aan de zaak te besteden. Dit besluit werd bevestigd in administratief beroep.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant sub 1 niet-ontvankelijk, omdat hij geen rechtstreeks belang bij het besluit zou hebben. De Raad van State overweegt dat een cliënt wel belanghebbende is bij een weigering van toestemming, maar in deze omgekeerde situatie, waarbij toestemming is verleend, raakt het besluit appellant sub 1 niet rechtstreeks in zijn belang. Daarom had de rechtbank het beroep van appellant sub 1 niet-ontvankelijk moeten verklaren.
Het hoger beroep van appellanten is ongegrond verklaard vanwege overschrijding van de beroepstermijn door appellant sub 2. De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af zonder proceskostenveroordeling.
De zaak benadrukt het belang van het onderscheid tussen cliënt en advocaat in bestuursrechtelijke procedures en de strikte toepassing van de termijnen en het begrip belanghebbende in bestuursrechtelijke beroepen.
Uitkomst: Het beroep van appellant sub 1 is niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen belanghebbende is bij het besluit om zijn zaak als bewerkelijk aan te merken.