ECLI:NL:RVS:2001:AD5056

Raad van State

Datum uitspraak
10 oktober 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200005398/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P. van Dijk
  • J.A.E. van der Does
  • F.P. Zwart
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Rijkswet op het NederlanderschapArt. 7:12 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing naturalisatieverzoek wegens ontbreken huwelijk op beslismoment

Appellant verzocht om naturalisatie, maar dit verzoek werd afgewezen door de Staatssecretaris van Justitie omdat niet werd voldaan aan de vereiste dat de verzoeker ten minste drie jaren gehuwd moest zijn met een Nederlander op het moment van de beslissing. De rechtbank had de afwijzing vernietigd wegens een gebrek aan motivering en oordeelde dat de huwelijksrelatie op het moment van het verzoek volstond.

De Raad van State oordeelde echter dat artikel 8, tweede lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap zodanig moet worden uitgelegd dat de huwelijksrelatie op het moment van de beslissing op het verzoek nog in stand moet zijn. De rechtbank had ten onrechte aangenomen dat alleen het moment van het verzoek relevant was.

Gelet op deze uitleg was de afwijzing van het naturalisatieverzoek terecht en werd het hoger beroep van de Staatssecretaris gegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep bij de rechtbank werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het verzoek om naturalisatie werd terecht afgewezen omdat de huwelijksrelatie met een Nederlander op het moment van de beslissing niet meer bestond.

Uitspraak

Raad
van State
200005398/1.
Datum uitspraak: 10 oktober 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Staatssecretaris van Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Breda van 14 november 2000 in het geding tussen:
A, wonend te B
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 februari 1999 heeft appellant een verzoek van A (hierna: A) van 16 december 1997 om verlening van het Nederlanderschap afgewezen.
Bij besluit van 30 september 1999 heeft appellant het daartegen door A gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 14 november 2000, verzonden op dezelfde datum, heeft de arrondissementsrechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door A ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen opnieuw op het bezwaarschrift van A te beslissen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen die uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 november 2000, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 januari 2001. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 24 april 2001 heeft A van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 augustus 2001, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en A in persoon zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de Rijkswet), voor zover hier van belang, komen voor verlening van het Nederlanderschap slechts in aanmerking verzoekers, die ten minste vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen of Aruba, woonplaats of werkelijk verblijf hebben gehad.
Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Rijkswet, voor zover hier van belang, geldt het in het eerste lid, onder c, bepaalde niet met betrekking tot een verzoeker die sedert ten minste drie jaren de echtgenoot is van een Nederlander.
2.2. De rechtbank heeft het besluit van 30 september 1999 vernietigd wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Naar het oordeel van de rechtbank kan de weigering A het Nederlanderschap te verlenen niet worden gegrond op het niet voldaan hebben aan het bepaalde in artikel 8, tweede lid, van de Rijkswet. Onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie was A drie jaren gehuwd met een Nederlandse, zodat hij volgens de rechtbank per definitie ook op het moment van beslissen op dat verzoek voldeed aan het bepaalde in voornoemd artikel 8, tweede lid.
2.3. Appellant betoogt terecht dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 8, tweede lid, van de Rijkswet aldus moet worden uitgelegd dat op het moment van de beslissing op een verzoek om naturalisatie de relatie tussen een verzoeker en een Nederlander nog in stand moet zijn. In artikel 8, tweede lid, ontbreekt, anders dan in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, de zinsnede "onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek". De bepaling is geformuleerd als een actuele eis, waaraan voldaan moet zijn op het moment van de beslissing. Appellant heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat A ten tijde van de beslissing op het verzoek niet voldeed aan het in artikel 8, tweede lid, van de Rijkswet vervatte criterium van sedert ten minste drie jaren de echtgenoot zijn van een Nederlander. Reeds daarom mocht appellant het verzoek van A afwijzen.
2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Breda van 14 november 2000, no. 99/1981 RWNL POE;
III. verklaart het beroep bij de rechtbank ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.A.E. van der Does en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.J.M. van Tielraden, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Dijk w.g. Van Tielraden
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2001
156.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,