ECLI:NL:RVS:2001:AB9330

Raad van State

Datum uitspraak
9 maart 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200003036/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.J.R. Bakker
  • C. de Gooijer
  • H. Troostwijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 PaspoortwetArt. 44 PaspoortwetArt. 45 Paspoortwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering paspoort wegens niet-nakoming onderhoudsverplichting

Appellant heeft een paspoort aangevraagd, maar de Minister van Buitenlandse Zaken weigerde dit op grond van de Paspoortwet omdat appellant een alimentatieschuld heeft en geen betalingsregeling met het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) heeft getroffen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en de Raad van State bevestigt deze uitspraak in hoger beroep. De minister mocht op basis van artikel 22 en Pro 45 van de Paspoortwet weigeren omdat appellant zich door verblijf buiten het Koninkrijk aan invordering van alimentatie zou onttrekken.

De Raad van State oordeelt dat appellant onvoldoende heeft geprobeerd een oplossing met het LBIO te bereiken en dat de minister terecht heeft geoordeeld dat appellant niet onevenredig wordt benadeeld door de weigering van het paspoort. De belangen van invordering van de alimentatieschuld wegen zwaarder dan het belang van appellant bij het verkrijgen van een paspoort.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het paspoort bevestigd.

Uitspraak

Raad
van State
200003036/1.
Datum uitspraak: 9 maart 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats] (Duitsland),
appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 8 juni 2000 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Buitenlandse Zaken.
1. Procesverloop
Bij besluit van 26 januari 1998 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) op grond van artikel 22, aanhef en onder d, in samenhang met artikel 45, tweede lid, van de Paspoortwet geweigerd appellant een paspoort te verstrekken.
Bij besluit van 26 maart 1999 heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 8 juni 2000, verzonden op 14 juni 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 juni 2000, bij de Raad van State ingekomen op 26 juni 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 6 november 2000 heeft de minister een memorie van antwoord ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 februari 2001, waar appellant in persoon en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.H.M. Weeber en J. de Kubber, ambtenaren ten departemente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 22, aanhef en onder d, van de Paspoortwet kan op verzoek van - onder meer - het bestuur van een openbaar lichaam dat bevoegd is bijdragen te vorderen, verstrekking van een paspoort worden geweigerd, indien het gegronde vermoeden bestaat dat een persoon, die nalatig is in het nakomen van een wettelijk op hem rustende onderhoudsverplichting danwel een bij uitspraak van een rechter in het Koninkrijk vastgestelde onderhoudsverplichting, zich door verblijf buiten de grenzen van een der landen van het Koninkrijk aan de wettelijke mogelijkheden tot invordering van de verschuldigde gelden zal onttrekken.
Ingevolge artikel 44, eerste lid, van deze wet is de minister in dit geval beslissingsbevoegd.
Ingevolge artikel 44, vierde lid, deelt, indien de gronden tot weigering of vervallenverklaring nog blijken te bestaan, de tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit de aanvrager respectievelijk de houder terstond doch in ieder geval binnen vier weken na de aanvraag onderscheidenlijk de inhouding mede, dat hij voornemens is de verstrekking van het aangevraagde reisdocument te weigeren dan wel het ingehouden reisdocument vervallen te verklaren, tenzij de aanvrager respectievelijk de houder hem binnen twee weken verzoekt de beslissing gedurende acht weken aan te houden, ten einde met de autoriteit bij wie de gronden bestaan een zodanige overeenstemming te bereiken dat tot verstrekking van het aangevraagde reisdocument of teruggave van het ingehouden reisdocument dan wel verstrekking van een reisdocument, waarvan de geldigheidsduur onderscheidenlijk de territoriale geldigheid beperkter is dan de bij of krachtens de wet vastgestelde, kan worden overgegaan.
Ingevolge artikel 45, tweede lid, gaat de minister tot weigering of vervallenverklaring over, indien binnen de periode van acht weken, bedoeld in artikel 44, vierde lid, geen mededeling wordt gedaan als bedoeld in het eerste lid, dan wel de aanvrager respectievelijk de houder geen verzoek doet als bedoeld in artikel 44, vierde lid, tenzij hij van oordeel is dat de aanvrager respectievelijk de houder door deze beslissing onevenredig zou worden benadeeld. In dat geval verstrekt de tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit na overleg met de autoriteit bij wie de gronden tot weigering of vervallenverklaring bestaan het aangevraagde reisdocument of geeft hij het ingehouden reisdocument terug dan wel verstrekt hij een reisdocument, waarvan de geldigheidsduur onderscheidenlijk de territoriale geldigheid beperkter is dan de bij of krachtens de wet vastgestelde.
2.2. In het voorliggende geval is het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (hierna: LBIO) de autoriteit bij wie gronden tot weigering bestaan, omdat appellant aan het bureau een alimentatieschuld ten behoeve van zijn kinderen dient te voldoen. Het bureau heeft appellant in het in artikel 25 van Pro de Paspoortwet bedoelde register paspoortsignaleringen doen plaatsten.
Vast staat dat appellant geen betalingsregeling voor zijn alimentatieschuld heeft getroffen met het LBIO. Uit het dwingende bepaalde in artikel 22, aanhef en onder d, in samenhang met artikel 45, tweede lid, van de Paspoortwet volgt dat het ontbreken van overeenstemming tussen appellant en het LBIO tot weigering van het paspoort leidt, tenzij de minister van oordeel is dat appellant door deze beslissing onevenredig zou worden benadeeld.
De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat geen plaats is voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat appellant door de weigering een paspoort af te geven, niet onevenredig is benadeeld. Appellant heeft zelf in onvoldoende mate een oplossing met het LBIO nagestreefd. Evenmin behoefde de minister aannemelijk gemaakt te achten dat appellant een baan is misgelopen door het ontbreken van een paspoort. De rechtbank heeft dan ook evenzeer met juistheid overwogen dat de minister in het voorliggende geval doorslaggevend gewicht heeft mogen toekennen aan het met de weigering van het paspoort gemoeide belang, dat appellant zich niet verder kan onttrekken aan invordering van zijn uit onderhoudsverplichtingen voortvloeiende schuld.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.R. Bakker, Voorzitter, en mr. C. de Gooijer en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.
w.g. Bakker w.g. mr. L. van Duuren
Voorzitter ambtenaar van Staat
(bij afwezigheid van
mr. Matulewicz)
Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2001
293.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,